ECLI:NL:RBLIM:2026:6426
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Roermond
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26 / 43
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], wonend te [woonplaats], belanghebbende
(gemachtigde: ir. J.G.J. Frissen)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).
Procesverloop
De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).
Belanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.
Belanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Als gemachtigde heeft zich gesteld ir. J.G.J. Frissen, werkzaam bij WOZ Kwadraat te Sittard (in 2025).
De heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.
Op 30 april 2026 zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.
De heffingsambtenaar heeft op 1 mei 2026 een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde van de onroerende zaken tussen partijen niet meer in geschil is.
Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskosten-vergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.
2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:
indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +
bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.
3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Hij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat zijn gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).
4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat
( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,
(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en
(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.
5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).
5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken toepassing mist.
5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.
5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.
6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel het hiervoor onder (ii) vermelde kenmerk heeft.
8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van zijn bedrijfsmodel (“Verdienmodel WOZ kwadraat B.V.”). Volgens die beschrijving werd aan alle cliënten (50 tot 80 per jaar) in 2025 een “opstartvergoeding” van € 73,- exclusief omzetbelasting (inclusief omzetbelasting: € 76,23), alsmede, voor zover van toepassing, een percentage van maximaal 25% van de belastingverlaging (zowel ten aanzien van lokale- als landelijke heffingen) in rekening gebracht.
9. Op 30 april 2026 heeft de gemachtigde de met zijn cliënten, waarvan de zaken op de onderhavige zitting worden behandeld, gesloten overeenkomsten overgelegd. Daarin is zowel een “opstartvergoeding” als een vergoeding voor het belastingvoordeel opgenomen. Dat die vergoedingen daadwerkelijk aan zijn cliënten zijn gefactureerd, blijkt volgens de gemachtigde uit de eveneens op 30 april 2026 ingezonden facturen. Op zitting heeft de gemachtigde de betaalbewijzen van de gefactureerde vergoedingen overgelegd.
10. De gemachtigde heeft toegelicht waarom in de zaak met zaaknummer ROE 25 / 1001, die ook op de zitting van 15 mei 2026 is behandeld, een factuur en een betaalbewijs ontbreken. Volgens de gemachtigde heeft de belanghebbende in die zaak door een misverstand zelf het griffierecht betaald en is daarom afgesproken dat de vergoedingen achteraf worden gefactureerd.
11. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat het op 30 april 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van overeenkomsten en facturen, die dateren uit april / mei 2025, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de overeenkomsten en de facturen eerder hadden kunnen worden overgelegd, ziet de rechtbank, mede nu deze de onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt vormen, een reactie zijn op het verweerschrift en er op het moment van indiening nog twee weken tot aan de zitting resteerden, hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. De heffingsambtenaar moet geacht worden om hierop adequaat te kunnen reageren. De hierna in twee zaken (ROE 26 / 42 en ROE 26 / 43), die ook op de zitting van 15 mei 2026 zijn behandeld, op 1 mei 2026 ingediende nadere stukken, alsmede de inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.
12. Redenen om de door de gemachtigde van belanghebbende op zitting overgelegde (zeven) betaalbewijzen vanwege strijd met een goede procesorde niet in haar beoordeling te betrekken, acht de rechtbank evenmin aanwezig. De betaalbewijzen zijn beperkt van omvang, komen nagenoeg overeen met de overgelegde overeenkomsten en facturen en bovendien is de heffingsambtenaar, na op zitting de gelegenheid te hebben gekregen om van de betaalbewijzen kennis te nemen, in staat gebleken om hierop adequaat te reageren.
13. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website (op 22 januari 2025 en 24 februari 2025) en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 11 januari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay.
14. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 aan haar cliënten (voor zover van toepassing) een “besparingsfee” (van 25%) en een “opstartvergoeding” (van € 73,- exclusief omzetbelasting) in rekening heeft gebracht. De betaalbewijzen laten zien dat, mits sprake is van een belastingbesparing, de “besparingsfee”, en, ongeacht de uitkomst van een procedure, de “opstartvergoeding” door of namens de cliënten van de gemachtigde zijn betaald. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 25%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i).
15. De rechtbank acht, gelet op de door de gemachtigde gegeven toelichting (zie onder 10) en het feit dat in de andere zaken facturering en betaling van de “opstartvergoeding” en de “besparingsfee” heeft plaatsgevonden, aannemelijk dat die vergoedingen, zij het achteraf, ook aan de belanghebbende in de zaak met zaaknummer ROE 25 / 1001 in rekening zullen worden gebracht. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om anders te oordelen over kenmerk (i).
16. Uit het vorenstaande volgt al dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz. Aan een beoordeling van het standpunt van belanghebbende dat ook kenmerk (iii) niet op zijn gemachtigde van toepassing is, wordt daarom niet toegekomen.
17. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).
18. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.
19. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
20. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. Partijen zijn het erover eens dat de wegingsfactor op 0,25 moet worden bepaald. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 54,- aan belanghebbende te vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).