Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:6519

Gericht

Maastricht

Datum

6 July 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Strafrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Maastricht

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.340006.23

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.L.B. Duijf, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 22 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1:op 23 december 2023 heeft geprobeerd om zijn echtgenote [slachtoffer] van het leven te beroven door haar met een mes in de hand en/of het lichaam te steken (primair), dan wel zijn echtgenote [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door haar in de hand en/of het lichaam te snijden en/of te steken (subsidiair), dan wel een poging daartoe heeft gedaan (meer subsidiair);

Feit 2:op 23 december 2023 [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd door haar enkels, armen en/of handen aan elkaar vast te binden met tape.

3. De beoordeling van het bewijs3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte boos was, dat hij het slachtoffer met ducttape heeft vastgebonden teneinde haar weerloos te maken en dat hij vervolgens met een uitbeenmes in de richting van het slachtoffer heeft gestoken, gezwaaid of gesneden. Het steken of snijden met een scherp uitbeenmes op een weerloos vastgebonden slachtoffer, roept de aanmerkelijke kans in het leven dat bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zal worden toegebracht. Door dat op deze manier te doen heeft verdachte die kans ook bewust aanvaard. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte snijverwondingen aan vier van haar rechtervingers opgelopen. Het slachtoffer is aan het letsel geopereerd, heeft na de operatie een gipsspalk gedragen en heeft drie maanden handtherapie gevolgd. Het slachtoffer kan de handpalm tot op heden nog steeds niet volledig plat leggen en er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer met ducttape was vastgebonden, dat de woonkamerdeur was afgesloten en – zoals blijkt uit de geluidsopnames – dat de verdachte het slachtoffer met zijn uitlatingen meermalen heeft belet de woning te verlaten. Voor een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet vereist dat sprake is van een absolute onmogelijkheid van het slachtoffer om zich fysiek te verplaatsen, maar daarvan is in dit geval wel sprake geweest.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit.

Ten aanzien van feit 1 primairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Er is sprake van twee verhalen, welke beide niet voldoende ondersteund worden door de inhoud van het dossier, mede doordat er geen sporenonderzoek in de woning is gedaan. Daarnaast blijkt nergens uit het dossier dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer.

Ten aanzien van feit 1 subsidiairen feit 1 meer subsidiairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier niet volledig is en zowel de verklaring van het slachtoffer als de verklaring van verdachte niet meer geverifieerd kunnen worden, vooral over op welke wijze het mes is gebruikt en door wie. Uit niets blijkt verder dat de verdachte de opzet had het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Ten aanzien van feit 2heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de beperking te kortdurend, te gering en niet absoluut genoeg was om te kunnen kwalificeren als vrijheidsberoving. De verdachte had geen opzet op de vrijheidsberoving en het is onduidelijk gebleven hoe de tape was aangebracht. Deze lijkt bovendien maar kortdurend op de mond van aangeefster te hebben gezeten. Er is daarom geen sprake van een (voltooid) delict.3.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair

Vrijspraak

De rechtbank is, samen met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – op de dood van aangeefster. De primair tenlastegelegde poging tot doodslag kan daarom niet bewezenverklaard worden. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 1 subsidiair

Bewijsmiddelen

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:

Op 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug. Ik zag dat mijn man een schaar had. Ik zag en voelde dat hij mijn haren aan het afknippen was. Ik wist mijn handen los te krijgen. Ik dacht op dat moment nog steeds dat hij een schaar in zijn hand had. Ik dacht dat hij me wilde neersteken. Ik deed mijn rechterarm omhoog. Ik hield deze hand op, om hem af te weren. Ik voelde opeens een erge pijnscheut in mijn rechterhand. Ik zag dat er bloed uit mijn hand liep. Toen zag ik dat het een mes was dat mijn man in zijn hand hield.

De verklaring van getuige [slachtoffer] , afgelegd ter terechtzitting van 22 juni 2026, voor zover inhoudende:

Ik zat met mijn knieën op de grond met mijn handen vastgebonden naar achter. Hij was mijn haren aan het knippen. Ik probeerde mijn handen los te krijgen en toen dat gelukt was heb ik mijn rechterarm/hand omhoog en naar voren gebracht. Ik zag op dat moment niet wat hij in zijn handen had. Ik kwam met mijn hand ergens tegenaan en voelde pijn. Toen ik keek zag ik dat hij een mes in zijn hand had. Ik dacht dat hij een schaar vast had, omdat hij mijn haren aan het knippen was, maar het was een mes.

De kennisgeving van inbeslagneming:

Op 23 december 2023 te 02:15 uur werd in de woning op het adres [adres] te Heerlen een mes (geel) met bloedsporen aangetroffen en inbeslaggenomen.

Het proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland, voor zover inhoudende:

Conclusie letsel slachtoffer [slachtoffer]

  • Hand rechts: handpalm zijde van de vingers snijverwondingen van alle vingers, behalve dig II (wijsvinger) - Dig V (pink) relatief oppervlakkige wond van 1 cm midphalanx (vingerkootje) - Dig IV (ringvinger) en III (middelvinger) diepe wonden basisphalanx (vingerkootje) - Dig I (duim) diepe wond, lopende tot ulnaire zijde van de vinger, geschat over de helft van de totale omtrek van de duim

  • Sensibiliteit van alle vingers intact. Vasculair (bloedvaten) intact - Functieverlies FDS (Flexor Digitorum Superficialis; buig- of- flexpezen) van dig IV (ringvinger) en III (middelvinger), verder motoriek intact - Slachtoffer heeft na de operatie 5 dagen een gipsspalk gedragen, aansluitend is zij begonnen met EAM (Early Active Motion- handtherapie) - Twee weken na de operatie zijn de hechtingen verwijderd - 28 december 2023: Slachtoffer krijgt gedurendedrie maanden handentherapie - 14 februari 2023: Slachtoffer heeft moeite met buigen en strekken van de vingers, onder andere door de littekens.

Het aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, voor zover inhoudende:

Mw. [slachtoffer] heeft een operatie gehad van de buigpezen van de middelvinger, de ringvinger en de pink. Binnen een week na de operatie is mw. begonnen met oefenen met de handtherapeut. Drie maanden na de operatie kan mw. de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen. Er is nog sprake van verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten.

De letsels zijn snijwonden die met bindweefselvorming zijn genezen. Nu zijn littekens zichtbaar. De beschreven verminderde hand- en vingerfunctie hangt samen met het door het incident veroorzaakte peesletsel.

Mw. kan de vingers van haar rechterhand niet volledig buigen en strekken.

De verwachte genezingsduur betreft bijna een half jaar na het incident alsnog minimaal 3 maanden. Het is onzeker of de rechterhandfunctie volledig terugkeert.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop dat de verklaring van aangeefster over de toedracht van het letsel aan haar hand telkens consistent en gedetailleerd is geweest. Daartegenover staat de telkens wisselende verklaring over de toedracht van het letsel bij aangeefster door de verdachte. De verdachte heeft inmiddels drie verschillende versies naar voren gebracht, die op wezenlijke onderdelen van elkaar verschillen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig en zal deze tot uitgangspunt nemen voor de verdere beoordeling van de tenlastelegging.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of er in casu daadwerkelijk sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van die vraag, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.Aangeefster heeft aan de handpalmzijde van haar rechterhand snijverwondingen opgelopen in de pink, ringvinger, middelvinger en duim. Aangeefster heeft daardoor een operatie van de buigpezen van de middelvinger, ringvinger en pink ondergaan en heeft vervolgens drie maanden handtherapie gevolgd. Er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten; ze kan de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen en ze kan de vingers niet volledig strekken en buigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze beperkingen van zodanige aard en ernst dat, mede in aanmerking genomen de belangrijke functie van de hand in het dagelijks leven, sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

De vraag rijst of sprake is van (voorwaardelijk) opzetop het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de zijde van verdachte. De rechtbank ziet in de bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van vol opzet op zwaar lichamelijk letsel te komen. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben. De verdachte heeft aangeefster met een mes in haar hand gesneden, terwijl zij op haar knieën, met ducttape om haar enkels en armen, op de grond zat. De kans op zwaar lichamelijk letsel is aanmerkelijk te noemen wanneer iemand met een vlijmscherp mes steekt of snijdt in de richting van een (weerloos) slachtoffer. De verdachte moet zich hiervan ten tijde van zijn handelen bewust zijn geweest. Door met een mes in de richting van aangeefster te bewegen heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans dan ook bewust aanvaard. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan zijn echtgenote.

Feit 2

Bewijsmiddelen

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:

Op 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug.

Het proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), voor zover inhoudende:

Ter plaatse trof ik het slachtoffer [slachtoffer] aan. Ik zag dat de vrouw een grijs stuk ducttape om haar nek had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk ducttape om haar rechterarm had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk grijze ducttape om haar rechterenkel had zitten.

Het proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, voor zover inhoudende:

NNV: Ga weg hier

NNM: Nee

NNV: Ga weg hier, ga opzij, ga weg hier, ik zeg dat je mij moet laten gaan

NNM: Nee, nee, nee

NNV: Ik wil weg van hier

NNM: Nee, jij blijft hier

NNV: Ik wil weg … [ntv] … praten

NNM: Nee, nee je gaat daar zitten

NNV: Ik ga niet praten

NNM: Ga daar zitten, want anders bind ik je vast, ga daar zitten en beken zoals het een normaal mes betaamt en dan is het klaar, dan ga ik weg, is geen probleem

NNM: Je gaat nergens naar toe, je gaat daar zitten in de hoek, je gaat niet bewegen, anders bind ik je vast en knip ik je haar helemaal af

NNV: Nee, ik moet hier weg/uit

NNM: Je gaat nergens naar toe

NNV: Wat ga je dan doen?

NNM: Je gaat daar zitten

Bewijsoverweging

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte aangeefster op haar knieën heeft laten zitten, dat hij haar heeft vastgebonden met ducttape bij haar enkels, armen en handen, dat hij de woonkamerdeur heeft afgesloten en dat hij haar meermalen heeft verboden om de ruimte te verlaten. Aangeefster kon zich daardoor niet op ieder gewenst ogenblik van de plaats waar zij zich bevond verwijderen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.3.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1 subsidiair:

op 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en peesletsel in meerdere vingers heeft toegebracht door in de hand van die [slachtoffer] met een mes te snijden;

Feit 2:

op 23 december 2023 in de gemeente Heerlen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door de enkels, armen en handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair

zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote;

Feit 2

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De psychiater drs. R. Thomassen heeft een onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de verdachte en heeft op 10 april 2024 een rapport uitgebracht. Uit dat rapport is gebleken dat bij de verdachte sprake is van een post-traumatische stresstoornis (PTSS) na een overval op zijn werk in 2014 en dat hij daar nog steeds klachten van ondervindt. De PTSS beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde echter niet. De rechtbank komt op basis van de in het rapport vervatte bevindingen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de complexe PTSS dan wel andere psychosociale problemen van de verdachte en daarom aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, dan wel geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest gelet op het tijdsverloop en de aan detentie verbonden negatieve consequenties voor de verdachte.6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn echtgenote, inmiddels ex-vrouw, en moeder van zijn kinderen. De verdachte heeft het slachtoffer vastgebonden met ducttape, een groot deel van haar haren afgeknipt met een schaar en vervolgens met een mes in de handpalm van het slachtoffer gesneden. Uitermate vernederend en respectloos gedrag, dat de rechtbank de verdachte zeer kwalijk neemt. Het slachtoffer heeft bovendien ter terechtzitting toegelicht dat ze haar vingers door het opgelopen letsel tot op heden niet volledig kan strekken en buigen en dus niet volledig meer kan gebruiken. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en persoonlijke waardigheid van zijn echtgenote gemaakt en de rechtbank rekent hem dit zwaar aan. Bovendien heeft verdachte een geluidsopname van de feiten gemaakt en deze begaan terwijl zijn kinderen aanwezig waren in de woning. Zelfs hun aanwezigheid heeft de verdachte niet van het plegen van de feiten weerhouden.

De rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 8 mei 2024, 5 december 2024 en 2 juni 2026. Daaruit blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van problemen op diverse leefgebieden. Naast de relatieproblematiek hebben mogelijk ook het gebrek aan dagbesteding, financiële problemen, overmatig gokken en zijn psychosociaal functioneren een rol gespeeld in het delictgedrag. De verdachte is gediagnosticeerd met PTSS. De verdachte is op 16 mei 2024 geschorst en onder toezicht gesteld van de reclassering en heeft zich tot op heden goed aan de afspraken en voorwaarden gehouden. De verdachte volgt een behandeling bij de Rooyse Wissel gericht op emotieregulatie en traumabehandeling. De scheiding is inmiddels geregeld en er is co-ouderschap ten aanzien van de twee jongste kinderen. Volgens de toezichthouder zijn alle doelen binnen het toezicht bereikt en hebben verdere bijzondere voorwaarden geen toegevoegde waarde meer. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De verdere behandeling van de PTSS kan doorlopen in een vrijwillig kader, aldus de reclassering.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet kan worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf. Een taakstraf of een geldboete doet onvoldoende recht aan de ernst van het gewelddadige handelen van verdachte en de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank heeft acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, gelet op het vastgestelde letsel, de gevolgen en de revalidatieperiode. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een gevangenisstraf van 1 jaar. De rechtbank weegt de volgende omstandigheden strafverzwarend mee: het slachtoffer was de echtgenote van verdachte, er is sprake van huiselijk geweld, de verdachte heeft het slachtoffer uitermate vernederd door haar haren af te knippen, de verdachte heeft van zijn handelen een geluidsopname gemaakt en de verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend. De rechtbank zal echter in strafmatigende zin rekening houden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De rechtbank overweegt dat die termijn op 23 december 2023 is aangevangen, de dag dat de verdachte door de politie is verhoord. Gelet hierop zou uiterlijk op 23 december 2025 een einduitspraak gewezen moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de dag van deze uitspraak is overschreden met ruim 6 maanden. De rechtbank zal de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, daarom matigen van 26 maanden naar 24 maanden. De rechtbank ziet verder geen strafmatigende omstandigheden.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden – met aftrek van voorarrest – en waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden in te toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. Het beslag

De rechtbank zal de inbeslaggenomen schaar verbeurdverklaren, nu dit een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan. De rechtbank zal teruggave aan de verdachte (beslagene) gelasten van de inbeslaggenomen GSM’s, de computer en de geluidsapparatuur, nadat hiervan de opnames verwijderd zijn. Het inbeslaggenomen vleesmes is reeds retour naar de eigenaar.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 282, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

  • spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair;

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiairenfeit 2toteen gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Beslag

  • verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:

1 STK Schaar (goednummer: 1665325);

  • gelast de teruggave van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte:

1 STK GSM (goednummer: 1665364);

1 STK GSM (goednummer: 1665366);

1 STK Computer (goednummer: 1665367);

1 STK Geluidsapparatuur (nadat de opnames zijn verwijderd) (goednummer: 1665368).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na de wijziging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat

Feit 1 primair:

hij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en/of peesletsel in een of meerdere vingers, heeft toegebracht door in de hand en/of lichaam van die [slachtoffer] met een mes te snijden en/of steken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

hij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door de enkels, armen en/of handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2431-2023202228 (onderzoek: Banner), gesloten d.d. 30 maart 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 190.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.

De kennisgeving van inbeslagneming (mes met bloedsporen), p. 168.

Het proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland van 28 maart 2024, p. 72.

Het aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, p. 11 en 12.

Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, r.o. 2.4.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.

Het proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), p. 22.

Het proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, p. 99, 100, 101 en 105.

Weitere Entscheidungen