ECLI:NL:RBMNE:2023:7828
Zusammenfassung
Strafrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/183400-22 en 16/179380-22 (gev. ttz) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (China), thans gedetineerd te P.I. [locatie] ,
hierna: verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 oktober 2022 en 23 januari 2023. Op laatstgenoemde datum is de zaak inhoudelijk behandeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.A. Nieli en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
(16/183400-22)
op 20 juli 2022 te Utrecht een of meer levensmiddelen van de [aangever] heeft gestolen;
(16/179380-22)
feit 1
op 15 juli 2022 te Utrecht zich bij zijn staande houding en/of aanhouding met geweld heeft verzet tegen een of meer politieambtenaren;
feit 2
op 15 juli 2022 te Utrecht opzettelijk een of meerdere politieambtenaren heeft beledigd.
3. VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw voert geen bewijsverweer.
4.3. Het oordeel van de rechtbank
4.3.1. Ten aanzien van het ten laste gelegde feit met parketnummer 16/183400-22
Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte nr. PL0900-2022211341-7 d.d. 20 juli 2022, opgemaakt door [verbalisant 1] (blz. 27 tot en met 31 van proces-verbaal nr. PL0900-2022211661), inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een Aangifteformulier voor winkeliers met bijlage d.d. 20 juli 2022 (blz. 4 tot en met 8 van proces-verbaal nr. PL0900-2022211661).
4.3.2. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 met parketnummer 16/179380-22
Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 2]
Op vrijdag 15 juli 2022 bevond ik mij samen met mijn collega [verbalisant 3] te Utrecht.
Hierop heb ik [verdachte] staande gehouden als verdachte.
Ik zag dat [verdachte] op mij afliep. Ik strekte mijn arm om afstand te creëren tussen mij en [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] het volgende zei: “Kom vechten dan, kanker Marokkaan, Kanker homo.”
Ik zag dat de [verdachte] een slaande beweging met zijn hand richting mij maakte. Ik zag dat hij opzettelijk en met kracht in de richting van mijn gezicht sloeg.
Ik pakte [verdachte] beet bij zijn armen. Ik zei dat [verdachte] rustig moest blijven. Ik zag en voelde dat [verdachte] zich los rukte uit mijn greep en slaande bewegingen maakte op mijn armen en gezicht.
Ik zei dat [verdachte] was aangehouden. Ik pakte [verdachte] vast aan zijn linkerarm. Ik voelde dat [verdachte] kracht zette om uit mijn greep te komen. Ik zei dat [verdachte] mee moest werken omdat ik anders geweld zou gebruiken. Ik paste een polsklem toe om [verdachte] onder controle te krijgen. Ik voelde dat [verdachte] kracht zette om uit mijn polsklem te komen. Ik zag dat mijn collega, [verbalisant 3] , zijn rechterarm vast pakte. Ik voelde dat [verdachte] zich verzette aan mijn klem en ik hoorde dat [verdachte] schreeuwde dat ik een “kanker homo” en een “kanker mietje” was.
Ik hoorde dat mijn collega zei dat [verdachte] niet tot antwoorden verplicht was en recht had op een advocaat. Ik hoorde dat [verdachte] het volgende zei: “Kanker hoer.”
In de auto bleef verdachte schelden en beledigen. Ik hoorde dat hij zei: “Kanker homo, kanker Marokkaan. Je bent een mietje. Je hebt een kutje zeker.”
Een proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 3]
Op vrijdag 15 juli bevond ik mij samen met mijn collega [verbalisant 2] te Utrecht.
We besloten de man aan te spreken en staande te houden.
Ik hoorde de verdachte roepen tegen mijn collega: “Wil je vechten, kankerhomo.” Daarop zag ik dat de verdachte uithaalde met zijn arm naar mijn collega.
Ik zag dat de verdachte met zijn rechterbeen naar mijn collega schopte. Ik probeerde de verdachte naar de grond te trekken en zijn been te haken, maar ik zag dat dit niet lukte, omdat de verdachte zich telkens in een andere richting bewoog dan dat ik hem wilde hebben.
Op de grond bleef verdachte zich schrap zetten en trappen.
Ik zei tegen de verdachte dat hij mee moest werken. Ik zag dat hij hieraan niet voldeed. Ik zei tegen de verdachte dat hij was aangehouden en ik deelde hem mede dat hij geen antwoord hoefde te geven. Ik hoorde hem daarop meerdere malen zeggen tegen mij : “Hou je bek, Kankerhoer.” Verder hoorde ik hem meerdere malen zeggen: “kankerhoer”.
Ook terwijl verdachte geboeid op de grond lag, bleef hij opzettelijk in onze richting trappen.
Verdachte
Achternaam: [verdachte] .
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
(16/183400-22)
op 20 juli 2022 te Utrecht levensmiddelen die geheel aan [aangever] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
(16/179380-22)
1
op 15 juli 2022 te Utrecht zich met geweld heeft verzet tegen meerdere politieambtenaren, te weten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de staandehouding en aanhouding van verdachte, door
te slaan en te schoppen en te trappen in de richting van die ambtenaren,
zich telkens te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren hem probeerden te bewegen, en
kracht te zetten in zijn lichaam;
2
op 15 juli 2022 te Utrecht opzettelijk meerdere politieambtenaren, te weten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die Jilali de woorden toe te voegen: “kanker Marokkaan”, “kanker homo”, “kanker mietje” en “ je hebt een kutje zeker” en door die [verbalisant 3] de woorden toe te voegen: “kankerhoer”.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
ten aanzien van 16/183400-22:
diefstal;
ten aanzien van 16/179380-22:
feit 1: wederspannigheid;
feit 2: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, meermalen gepleegd.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 12 januari 2023 opgesteld door D.J. Vinkers (psychiater) inzake de winkeldiefstal (parketnummer 16-183400-22). Uit het rapport volgt dat ten tijde van de bewezen verklaarde winkeldiefstal op 20 juli 2022 sprake was van een autismespectrumstoornis bij verdachte, maar dat de winkeldiefstal niet in dusdanige mate gerelateerd is aan de stoornis van verdachte dat gesproken kan worden van een vermindering van zijn toerekeningsvatbaarheid. Geadviseerd wordt de winkeldiefstal volledig aan verdachte toe te rekenen. Ten aanzien van de overige bewezen verklaarde feiten, gepleegd vijf dagen voorafgaand aan de winkeldiefstal, is de rechtbank evenmin gebleken van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.8. OPLEGGING VAN MAATREGEL
8.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren.
8.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat oplegging van de ISD-maatregel in dit geval niet proportioneel is. De raadsvrouw is van mening dat het kader van een zorgmachtiging meer aangewezen is voor de situatie van verdachte. Volgens de raadsvrouw accepteert verdachte geen zorg en is het doel van een zorgmachtiging nu juist gelegen in het aanbieden van specifieke gedwongen zorg indien iemand de nodige zorg weigert. Verdachte heeft vooralsnog weinig zorg gekregen en het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zal leiden tot kale detentie, mede gelet op de duur van het reeds ondergane voorarrest. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Indien de rechtbank toch tot oplegging van de ISD-maatregel komt, verzoekt de raadsvrouw de duur van het reeds ondergane voorarrest in mindering te brengen op de duur van de maatregel.
8.3. Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een veelvoorkomend feit, dat doorgaans naast ergernis ook financiële schade en overlast bij de gedupeerde bedrijven veroorzaakt. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij daaraan heeft bijgedragen.
Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan wederspannigheid en belediging van twee politieambtenaren. Verdachte heeft, doordat hij zich agressief en vervelend heeft gedragen, de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak en hen in hun eer en goede naam aangetast. Politieambtenaren verrichten een publieke taak die dient te worden gerespecteerd. Verdachte heeft zich daarvan geen enkele rekenschap gegeven.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het op naam van verdachte staand uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van 21 september 2022, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Uit het voornoemde rapport van psychiater Vinkers d.d. 12 januari 2023 volgt dat de psychiater adviseert een ISD-maatregel op te leggen, zodat verdachte voor langere tijd in een gestructureerde omgeving kan verblijven en in geestelijk en lichamelijk opzicht kan herstellen. De psychiater ziet geen alternatieven voor de geadviseerde ISD-maatregel, ook niet in het kader van een zorgmachtiging. Volgens de psychiater is sprake van een hoog recidiverisico op grensoverschrijdend gedrag, zoals winkeldiefstal.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 januari 2023, uitgebracht door Reclassering Fivoor. Hieruit volgt dat de reclassering een delictpatroon aangaande vermogensdelicten ziet en dat eerdere reclasseringscontacten niet hebben geleid tot een gedragsverandering of afname van het recidiverisico.
De reclassering sluit zich aan bij de bevindingen van de rapporteur Pro Justitia en adviseert aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Binnen die maatregel kan worden ingezet op het herstel van verdachte en het opbouwen van een humaan bestaan. De reclassering acht een zorgmachtiging onvoldoende om te kunnen komen tot een passend risicomanagement, omdat het behandelplan geheel onduidelijk is en verdachte afhankelijk is van de geneesheer-directeur voor het continueren van zorg. De looptijd van een zorgmachtiging, wanneer deze door een rechtbank aan verdachte wordt opgelegd, is slechts zes maanden. De geneesheer-directeur beslist na die periode of de zorgmachtiging al dan niet verlengd dient te worden. Indien verdachte stabiel functioneert zal de behandeling afgeschaald worden en zal verdachte doorstromen naar de reguliere/ambulante zorg, waar weinig tot geen aandacht is voor risicosignalen en de verhoogde kans op recidive. Het vangnet binnen de zorgmachtiging is daarmee (te) beperkt.
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan alle criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan, zoals die (onder meer) volgen uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Bewezen is verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Voorts is gebleken dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten meer dan drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel en dat de onderhavige bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van die eerdere straffen. Uit voornoemde adviezen van de reclassering en de psychiater volgt bovendien dat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, zodat er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Tevens volgt uit de adviezen dat in het geval van verdachte geen alternatieve afdoeningsmogelijkheden bestaan, waaronder begrepen het door de verdediging genoemde kader van een (civiele) zorgmachtiging, die een voldoende vangnet bieden en waarin afdoende aandacht wordt besteed aan het hoge risico op recidive. Blijkens de adviezen en het verhandelde ter terechtzitting is het – met het oog op het recidiverisico – noodzakelijk dat verdachte langere tijd in een stabiele omgeving verblijft en wordt behandeld, waarbij het nog maar de vraag is of twee jaar toereikend zal zijn in het geval van verdachte.
Gelet op het voorgaande en gezien de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, eist de veiligheid van personen of goederen naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISDmaatregel. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van de problematiek van verdachte alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van belang dat voldoende tijd beschikbaar is. Daarbij past niet dat de ISD-maatregel voor kortere duur wordt opgelegd. Daarom zal de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren, waarop de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, niet in mindering zal worden gebracht.9. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 181, 266, 267 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.10. BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging maatregel
legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren;
verstaat dat daarbij geen rekeningwordt gehouden met de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak is doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, in een psychiatrisch ziekenhuis of in een instelling bestemd voor klinische observatie.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Maas, voorzitter, mr. A.A.T. Werner en mr. C.A.J. van Yperen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 februari 2023.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
16-183400-22
hij op of omstreeks 20 juli 2022 te Utrecht
een of meer levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[aangever] , in
elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )
16-179380-22
1
hij op of omstreeks 15 juli 2022 te Utrecht, althans in Nederland, zich met geweld
en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere
politieambtenaren, te weten [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] , werkzaam in
de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de
staandehouding en/of aanhouding van verdachte, door
te slaan en/of te schoppen en/of te trappen in de richting van die ambtenaren,
zich telkens te bewegen en/of te duwen in een richting tegengesteld aan die
waarin die ambtenaren hem probeerden te bewegen/brengen, en/of
- kracht te zetten in zijn lichaam;
( art 180 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 15 juli 2022 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk een of
meerdere politieambtenaren, te weten [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] ,
gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,
in zijn/haar/hun tegenwoordigheid,
mondeling heeft beledigd, door die Jilali de woorden toe te voegen: “kanker
Marokkaan”, “kanker homo”, “kanker mietje” en/of “ je hebt een kutje zeker”,
althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, en/of door die [verbalisant 3]
de woorden toe te voegen: “kankerhoer”, althans woorden van
gelijke beledigende aard en/of strekking;
( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van
Strafrecht )
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 juli 2022, genummerd PL0900-2022206182, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 18. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van bevindingen, p. 9.
Een proces-verbaal van bevindingen, p. 10.
Een proces-verbaal van bevindingen, p. 7.
Een proces-verbaal van bevindingen, p. 8.