ECLI:NL:RBMNE:2026:3278
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5864
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiser,
en
de Huurcommissie, verweerder.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak van de Huurcommissie van 9 oktober 2025. In die uitspraak heeft de Huurcommissie een oordeel gegeven over de huurprijs van de woning gelegen te [adres] in [plaats] .
Op 3 november 2025 heeft verweerder gereageerd op het beroep.
Overwegingen
1. Het is niet nodig dat partijen op een zitting worden gehoord. De bestuursrechter is kennelijk onbevoegd om van dit beroep kennis te nemen. Daarom sluit de rechtbank het onderzoek en doet zij zonder zitting uitspraak.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Beroep bij de bestuursrechter kan alleen worden ingediend tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).Dat wil zeggen dat beroep alleen kan worden ingediend tegen een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Is de uitspraak van de Huurcommissie een besluit in de zin van de Awb?
3. Hoewel het klopt dat de Huurcommissie een bestuursorgaan is, betekent dat niet dat een uitspraak van de Huurcommissie – zoals hier aan de orde – ook een publiekrechtelijke rechtshandeling is en dus een besluit in de zin van de Awb is.In dit geval heeft de Huurcommissie een uitspraak gedaan over de vraag of de overeengekomen huurprijs voor woonruimte (die eiser verhuurt) redelijk is. Op de bij de Huurcommissie gestarte procedure en uitspraak zijn de daarmee gepaard gaande rechtsmiddelen van toepassing, die worden beschreven in onder meer artikel 262 van Boek 7 van het BW. Een uitspraak van de Huurcommissie als bedoeld in dat artikel, is geen publiekrechtelijke rechtshandeling.
Conclusie en gevolgen
4. Omdat een uitspraak van de Huurcommissie geen besluit is in de zin van de Awb, is de bestuursrechter kennelijk niet bevoegd is om kennis te nemen van dit beroep. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet mag en kan behandelen.
5. In artikel 2.5, zesde lid, van het procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 wordt er geen griffierecht geheven als de bestuursrechter onbevoegd is. Nu de bestuursrechter onbevoegd is, hoeft eiser geen griffierecht te betalen. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
6. Eiser kan zich met deze zaak uitsluitend tot de burgerlijke rechter wenden op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:1 van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:420.