ECLI:NL:RBMNE:2026:3890
Zusammenfassung
Strafrecht
Uitspraak
Utrecht
uitspraakRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer : 12250449
CJIB-nummer : 241900336
Uitspraakdatum: 6 juli 2026
Uitspraak op een vordering als bedoeld in artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
naam : [betrokkene] .
adres : [adres] woonplaats : [woonplaats]
(hierna te noemen: betrokkene).
Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft een vordering ingesteld om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, voor de duur van het in de vordering genoemde aantal dagen. De vordering is gegrond op het feit dat aan betrokkene een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) is opgelegd en dat deze boete en de verhogingen niet zijn betaald.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 juni 2026. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft heden uitspraak gedaan.
De vordering
Gelet op de bevindingen van het CJIB concludeert de officier van justitie het volgende:
dat door betrokkene geen (volledige) betaling van de verschuldigde bedragen heeft plaats gevonden;
dat alle (minder ingrijpende) incasso- en verhaal maatregelen waar mogelijk zijn toegepast;
dat er sprake moet zijn van onwil, omdat in het verleden diverse betalingen zijn gedaan waardoor van de aanwezigheid van financiële middelen moet worden uitgegaan.
Overwegingen
Gijzeling is een dwangmiddel waartoe alleen in uiterste noodzaak mag worden overgegaan en is bedoeld om degene die wel kan, maar niet wil betalen, tot betaling aan te zetten. Een machtiging tot het toepassen van dit dwangmiddel kan dan ook alleen worden gegeven als blijkt dat degene aan wie de boete is opgelegd, deze kan betalen.
Een eerder ingeschakelde deurwaarder geeft aan dat betrokkene een eigen onderneming zou hebben of hebben gehad en suggereert betalingsonwil.
De kantonrechter stelt vast dat er sprak is van een zeer rommelig dossier. Gijzeling wordt op de zitting van vandaag gevorderd in twee specifieke zaken onder zaaknummers 12250449 en 12250470, maar uit de stukken blijkt dat er veel meer openstaande zaken zijn. Zo wordt betrokkene op enig moment aangeschreven voor een bedrag van € 12.000, -.
Uit het meegestuurde overzicht blijkt dat er verschillende keren een betalingsregeling is afgesproken waarop in totaal € 2.362, 16 is betaald. In de twee zaken waarvoor nu gijzeling wordt gevorderd is sprake van twee vorderingen van elk € 1.119, -. Het totaal betaalde bedrag overstijgt daarmee het totaal van de twee zaken die nu aan die nu aan de orde zijn.
Op geen enkele manier is duidelijk gemaakt hoe de totale schuld is opgebouwd en op welke openstaande posten de betalingen zijn afgeboekt. In één zaak zijn alle betalingen opgenomen, hoewel het ontvangen totaal die vordering ruim overstijgt.
De kantonrechter gaat geen machtiging tot gijzeling afgeven op basis van het onoverzichtelijk dossier waaruit niet goed blijkt wat er is afgesproken en hoe betalingen zijn verwerkt. Het staat daarmee niet vast dat in de specifieke zaken die vandaag voorliggen inderdaad geen betaling ontvangen is. Het is bovendien niet helder op grond waarvan nu (vandaag) gezegd wordt dat sprake is van onwil. De informatie in het dossier is gedateerd en een paar jaar oud. Wat wel duidelijk is dat normaal verhaal niets oplevert en er niets van waarde wordt aangetroffen. Dat wijst eerder op betalingsonmacht dan op betalingsonwil.
De uitspraak
De kantonrechter:
wijst de vordering af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.