Skip to main content

ECLI:NL:RBNHO:2026:1590

Gericht

Alkmaar

Datum

19 February 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Personen- en familierecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Alkmaar

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/345962 / FA RK 23-5442 en C/15/364479 / FA RK 25-2045

Beschikking d.d. 19 februari 2026 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P. Dorhout, gevestigd te Egmond aan den Hoef,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. S. Kuijs, gevestigd te Heiloo.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 18 oktober 2023;

  • het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 30 november 2023;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 25 januari 2024;

  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2024;

  • het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 30 juli 2024;

  • het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 9 oktober 2024;

  • het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2025;

  • het verweerschrift van de man, ingekomen op 16 april 2025;

  • nadere stukken van de man, ingekomen op 12 januari 2026, 13 januari 2026 en 15 januari 2026;

  • het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 13 januari 2026.

1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling is medegedeeld dat de door de vrouw overgelegde productie 35 buiten beschouwing zal worden gelaten.

1.3..

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2. De beoordeling

2.1.. Partijen zijn, onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , thans gemeente [gemeente] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2..

Uit het huwelijk van partijen is geboren de inmiddels jongmeerderjarige:

  • [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboortedatum] .

2.3.. De rechtbank heeft bij beschikking van 22 februari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen. Daarbij is [de jongmeerderjarige] toevertrouwd aan de vrouw, is een voorlopige zorgregeling vastgesteld en is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast is een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage bepaald van € 575,- per maand en een partnerbijdrage van € 571,- per maand.

2.4.. Scheiding

2.4.1.. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.4.2.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.5.. Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

2.5.1.. Partijen hebben hun verzoeken over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling ingetrokken, omdat [de jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is. Dit betekent dat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.

2.6.. Onderhoudsbijdragen

Kinderbijdrage

2.6.1.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 563,- per maand, met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek (30 november 2023).

2.6.2.. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Nu [de jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is, de vrouw niet is gemachtigd om [de jongmeerderjarige] te vertegenwoordigen voor wat betreft de onderhoudsbijdrage die aan hem moet worden betaald en de bijdrage die de man sinds de voorlopige voorzieningen betaalt, hoger is dan de door de vrouw verzochte bijdrage, zal het verzoek van de vrouw worden afgewezen. De man heeft ter zitting toegezegd dat hij de onderhoudsbijdrage van 575,- per maand, zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld, zal blijven voldoen aan [de jongmeerderjarige] . De rechtbank gaat ervan uit dat hij zich hieraan zal houden.

Partnerbijdrage

2.6.3.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 5.000,- per maand.

2.6.4.. De man heeft daartegen verweer gevoerd. Hij betwist de door de vrouw gestelde huwelijksgerelateerde behoefte. Ook stelt de man dat de vrouw vanwege haar verdiencapaciteit geen aanvullende behoefte heeft en dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen.

2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.

Ingangsdatum

2.6.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.

Behoefte

2.6.6.. De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte berekend aan de hand van de zogenoemde Hofnorm, waarbij zij is uitgegaan van de inkomens van partijen over het jaar 2022, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan van partijen. Voor zover de man zich op het standpunt heeft gesteld dat de Hofnorm niet kan worden toegepast en de vrouw haar behoefte moet onderbouwen aan de hand van haar daadwerkelijke inkomsten en uitgaven (behoeftelijst), volgt de rechtbank hem daarin niet. De Hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van de echtgenoten gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. De Hofnorm biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat niet van de Hofnorm kan worden uitgegaan, onvoldoende onderbouwd, zodat dit geen aanleiding vormt om hiervan af te wijken.

2.6.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk een netto besteedbaar inkomen had van € 1.633,- per maand, zodat hiervan zal worden uitgegaan.

2.6.8.. Verder is tussen partijen niet in geschil dat bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk, moet worden uitgegaan van het salaris dat de man ontving als DGA van [BV] ter hoogte van € 48.075,- bruto per jaar in 2022 en met inkomsten van de man uit ter beschikking gesteld vermogen van in totaal € 14.561,- per jaar (opbrengst € 17.092,- minus kosten € 545,- en vrijstelling € 1.986,-). De vrouw stelt dat daarnaast rekening moet worden gehouden met een dividenduitkering die is gedaan of had kunnen worden gedaan aan de man vanuit [onderneming] (hierna: [onderneming] ) ter hoogte van gemiddeld € 183.826,-. Zij heeft daartoe gesteld dat [onderneming] een grote onderneming met meerdere vestigingen is in Peru en dat er hoge winst wordt behaald. De man heeft verklaard dat hij de afgelopen jaren geen dividenduitkering heeft ontvangen, omdat de resultaten mede vanwege de corona epidemie wisselend waren. De afgelopen jaren zijn de resultaten goed geweest, zodat dit jaar zal worden bekeken of een dividenduitkering weer tot de mogelijkheden behoort, aldus de man.

2.6.9.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd weersproken dat hij jaarlijks inkomsten heeft vanuit [onderneming] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De man heeft geen stukken overgelegd van [onderneming] waaruit blijkt wat het resultaat is geweest en of en zo ja, tot welk bedrag er sprake is geweest van een dividenduitkering. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de man de afgelopen jaren niets heeft ontvangen vanuit [onderneming] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man heeft gesteld dat hij de door hem ontvangen dividenduitkeringen heeft gebruikt om de jaarlijkse aflossingen op de hypotheekschuld van partijen te voldoen. Vast staat verder dat de man in staat is geweest het pand aan [adres] te kopen zonder hiervoor financiering te hoeven afsluiten en de man heeft niet weersproken dat hij een zeer luxe levensstijl heeft, waarbij hij grote uitgaven heeft gedaan voor onder andere een auto (BMW) en horloge (Rolex). Gelet op de hoogte van het inkomen dat de man in Nederland heeft, concludeert de rechtbank dat sprake moet zijn van dividenduitkeringen vanuit [onderneming] om de aankopen van de man te bekostigen. Dat dergelijke dividenduitkeringen niet steeds zichtbaar zijn in de aangifte Inkomstenbelasting van de man, doet hieraan niet af, omdat de gelden ook op een buitenlandse bankrekening kunnen zijn gestort.

2.6.10.. Uit de overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van de man blijkt dat hij in 2015 een dividenduitkering vanuit [onderneming] heeft ontvangen van € 93.457,- en in 2021 van € 56.800,-. De rechtbank zal in redelijkheid rekening houden met een dividenduitkering gelijk aan het gemiddelde hiervan, te weten € 75.129,- per jaar.

2.6.11.. Op basis van bovenstaande inkomsten van de man, berekent de rechtbank zijn netto besteedbaar inkomen in 2022 op € 6.907,- per maand.

2.6.12.. Partijen hadden een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 8.540,- per maand, waarop de kosten van [de jongmeerderjarige] in mindering moeten worden gebracht. Deze kosten bedroegen in 2022, gemaximeerd bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van meer dan € 6.000,- per maand, € 800,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan dan worden vastgesteld op 60% van het resterende gezinsinkomen, zijnde € 4.644,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 5.681,- netto per maand.

Aanvullende behoefte

2.6.13.. De rechtbank zal vervolgens beoordelen in hoeverre de vrouw in staat is zelf in haar behoefte te voorzien. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Zij kan in staat worden geacht 28 tot 32 uur per week te werken, aldus de man. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij haar arbeidsduur heeft uitgebreid naar 20 uur per week. Haar nettoloon bedraagt € 1.480,- per maand. Daarnaast geeft zij bijles gedurende twee uur per week, waarmee zij € 27,- per uur verdient. De vrouw heeft verklaard dat zij voornemens is dit uit te breiden naar vier uur per week.

2.6.14.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw heeft nagelaten inzage te geven in haar huidige inkomsten, zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat haar precieze inkomsten zijn. Gelet op de leeftijd en werkervaring van de vrouw, is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet van haar kan worden verwacht volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Nu de vrouw haar werkzaamheden sinds het uiteengaan van partijen heeft uitgebreid en voornemens hierin nog een volgende stap te zetten, zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een inkomen dan wel verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.000,- netto per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 3.681,- netto per maand.

Draagkracht man

2.6.15.. Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn DGA-salaris uit [BV] over 2025 van € 51.882,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de cumulatieven vermeld op zijn salarisspecificatie over december 2025. Daarnaast houdt de rechtbank bij gebrek aan meer recente gegevens rekening met inkomsten van de man uit ter beschikking gesteld vermogen zoals blijkt uit zijn aangifte Inkomstenbelasting 2024 van in totaal € 21.014,- per jaar (opbrengst € 24.600,- minus kosten € 720,- en vrijstelling € 2.866,- ). Verder houdt de rechtbank rekening met een dividenduitkering uit [onderneming] van gemiddeld € 75.129,-, zoals hierboven bij de behoefte is overwogen.

2.6.16.. Op basis van deze gegevens heeft de man een netto besteedbaar inkomen van € 7.051,- per maand. Rekening houdend met de onderhoudsbijdrage die de man aan [de jongmeerderjarige] betaalt van € 575,- per maand, heeft de man een resterende draagkracht van € 2.471,- bruto per maand.

Conclusie

2.6.17.. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage vaststellen op € 2.471,- per maand, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Deze bijdrage overschrijdt de aanvullende behoefte van de vrouw niet.

2.7.. Woning en gebruiksvergoeding

2.7.1.. De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. De vrouw wenst in de woning te blijven wonen met de zoon van partijen. Zij heeft geen andere beschikbare woonruimte, terwijl de man een andere woning heeft waar hij verblijft.

2.7.2.. Nu de man niet zelf om het voortgezet gebruik van de woning heeft verzocht en hij voorts geen of onvoldoende zwaarwegende argumenten heeft aangevoerd die tot afwijzing van het verzoek van de vrouw dienen te leiden, zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toewijzen.

2.7.3.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan hem moet betalen van 3% over de helft van de overwaarde van de echtelijke woning, vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (18 oktober 2023), subsidiair de datum van het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man (25 januari 2024), tot de dag dat de woning wordt geleverd aan de vrouw, dan wel de man of derden, en te bepalen dat de vrouw deze vergoeding aan de man dient te betalen, dan wel dat dit wordt verrekend met overige vorderingen.

2.7.4.. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Uitgangspunt is dat beide partijen de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning dragen, nu dit hun gezamenlijk eigendom is. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd dat hij structureel bijdraagt in de lasten van de echtelijke woning. Nu de vrouw deze lasten (nagenoeg) volledig voor haar rekening neemt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een gebruiksvergoeding vast te stellen. De vrouw voldoet immers ook het aandeel van de man in de eigenaarslasten, wat kan worden verrekend met een eventuele gebruiksvergoeding die zij aan de man zou moeten betalen.

2.8.. Verdeling

2.8.1.. Partijen zijn onder uitsluiting van iedere gemeenschap met elkaar gehuwd. Zij hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen worden verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.

Bestanddelen

2.8.2.. De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.

2.8.3.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.

1. De echtelijke woning aan [adres]

2.8.4.. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de Rabobank. Partijen hebben verder een spaarpolis bij de ASR met nummer [nummer] en een beleggingsrekening bij de ASR met nummer [nummer] .

2.8.5.. De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen de waarde waarvoor de woning conform het hierna bepaalde wordt getaxeerd. Dit onder de voorwaarde dat zij ervoor dient zorg te dragen dat de man uiterlijk drie maanden na de datum van deze beschikking wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening en met de bepaling dat aan hem de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen.

2.8.6.. Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de vrouw binnen een week na deze beschikking drie makelaar taxateurs voorstellen aan de man, waarna de man binnen een week één van deze drie makelaars zal kiezen. Partijen dienen vervolgens gezamenlijk binnen twee weken opdracht te geven de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde. Indien partijen niet binnen voormelde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de opdracht tot verkoop te geven. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De rechtbank gaat ervan uit dat de taxatie bindend zal plaatsvinden voor partijen.

2.8.7.. Indien het de vrouw lukt de woning aan haar te laten toedelen, dan zal de aan de hypothecaire lening gekoppelde polis en beleggingsrekening bij de ASR worden overgenomen door de vrouw, waarbij de waarde op het moment van verdeling bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

2.8.8.. Indien de vrouw niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde. Partijen hebben verzoeken gedaan teneinde de verkoop van de woning te bewerkstelligen. De rechtbank zal een zogenaamd spoorboekje vaststellen die de rechtbank geraden voorkomt, zoals hierna vermeld.

2.8.9.. In geval van verkoop van de woning, dienen partijen binnen twee weken nadat duidelijk is dat de woning moet worden verkocht, gezamenlijk een opdracht tot verkoop te geven aan de makelaar die zij hebben gekozen voor de taxatie. Indien partijen niet binnen voormelde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de opdracht tot verkoop te geven.

2.8.10.. Partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs.

2.8.11.. Voorts zullen partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen.

2.8.12.. Beide partijen zijn gehouden – indien en voor zover de vrouw de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan overnemen – aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken en de aanwijzingen van de makelaar op te volgen.

2.8.13.. Voorts is ieder der partijen gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

2.8.14.. Na verkoop en overdracht van de woning zal de aan de woning verbonden hypothecaire lening worden afgelost, waarna de resterende overwaarde gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dienen te dragen en voldoen.

2.8.15.. In dit kader zal de aan de hypothecaire lening verbonden polis en beleggingsrekening bij de ASR worden afgekocht. De afkoopwaarde zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld, dan wel in mindering worden gebracht op de restschuld.

2. Bankrekening

2.8.16.. Partijen hebben een gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [nummer] . Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening zal worden opgeheven nadat de echtelijke woning is geleverd aan de vrouw of een derde, waarbij het dan resterende saldo bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.

3. Inboedel

2.8.17.. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de man de kano zal ophalen uit de tuin van de echtelijke woning, alsmede zijn kleding en dozen met foto’s en brieven. De overige inboedel wordt aan de vrouw toebedeeld, zonder verrekening van waarde. Gelet op de overeenstemming tussen partijen, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.

4. Camper

2.8.18.. Tussen partijen staat vast dat de camper, type Fiat [type Fiat] , zal worden verkocht en dat de vrouw in het kader van de verdeling reeds een bedrag van € 12.500,- heeft ontvangen, zodat hierover geen beslissing meer hoeft te worden genomen.

2.9.. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.9.1.. Partijen hebben verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.

2.9.2.. In de huwelijkse voorwaarden van partijen is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Algehele uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Vergoedingen

Artikel 3

De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.

Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.

(…)

Kosten huishouding

Artikel 7

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…), worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, huurpenningen voor de echtelijke woning en renten van geldleningen voor de financiering van de echtelijke woning, de inboedel en de gezinsauto.

De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragen terug te vorderen van de ander echtgenoot.

Het recht het aldus teveel bijgedragen terug te vorderen vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen vijf jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar heeft plaatsgevonden of schriftelijk is gevorderd.

(…)”

Vergoedingsrechten

2.9.3.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 14.832,- aan hem dient te voldoen. Hij heeft daartoe gesteld dat hij een bedrag van € 29.664,- meer dan de vrouw heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen en dat zij de helft hiervan aan hem moet vergoeden.

2.9.4.. De vrouw heeft op haar beurt gesteld dat zij vanuit privévermogen een bedrag van € 126.454,- heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen en daarnaast een bedrag van € 33.940,- heeft betaald aan verbouwingen van de woning. De rechtbank begrijpt hieruit dat zij stelt op die grond een vergoedingsrecht te hebben en vult de rechtsgrond in zoverre aan.

2.9.5.. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden een regeling getroffen over de vergoedingsrechten. Hieruit volgt dat een vergoedingsrecht nominaal is.

2.9.6.. Het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de verbouwingskosten zal worden afgewezen. Zij heeft niet met stukken onderbouwd dat de verbouwingen zijn gefinancierd vanuit haar privévermogen.

2.9.7.. Voor wat betreft de aflossingen op de hypothecaire lening overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting van partijen over de jaren 2012 tot en met 2022 blijkt de hypotheekstand per 31 december van het betreffende jaar, waaruit kan worden afgeleid wat in welk jaar is afgelost door partijen. De door de vrouw gestelde aflossingen bedragen circa de helft (of minder) van de totale aflossingen in een jaar, zodat dit de stelling van de man ondersteunt dat partijen altijd voor gelijke delen hebben afgelost. In zoverre heeft geen van partijen recht op vergoeding van deze aflossingen, omdat de aflossingen van partijen tegen elkaar kunnen worden weggestreept. De rechtbank moet dan enkel nog vaststellen of de man in 2019 en 2020 meer heeft afgelost dan de vrouw, zoals door hem is gesteld.

2.9.8..

Uit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de totale aflossing in 2019 € 34.900,- bedroeg. De man heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij op 17 januari 2019 € 24.532,- heeft afgelost. De vrouw heeft gesteld dat zij in 2019 € 10.404,- én € 10.000,- heeft afgelost, maar zij heeft hiervan geen betaalbewijzen overgelegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij in 2019 een bedrag van € 10.368,- heeft afgelost, te weten het verschil tussen de totale aflossingen in 2019 volgens de aangifte Inkomstenbelasting over dat jaar en het bedrag dat de man heeft voldaan. Dit betekent dat de man in 2019 € 14.164,- meer heeft afgelost dan de vrouw.

In 2020 bedroeg de totale aflossing € 36.500,-. Beide partijen hebben gesteld dat de vrouw in dat jaar een bedrag van € 10.500,- heeft afgelost. De man heeft met stukken onderbouwd dat hij in 2020 een bedrag van € 26.000,- heeft afgelost. Dit betekent dat de man in dat jaar € 15.500,- meer heeft afgelost dan de vrouw.

2.9.9.. In totaal heeft de man dus € 29.664,- meer afgelost dan de vrouw. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag vanuit de gemeenschap aan de man moet worden vergoed.

2.9.10.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aanvullend gesteld dat zij privévermogen, afkomstig van een pand dat eerder aan haar in privé toebehoorde, heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Dit betreft de waarde van de aan de woning verbonden polis ter hoogte van € 10.000,-, die is overgegaan naar de echtelijke woning, en de overwaarde van haar eerdere woning van € 16.000,-, wat is gestort in een bouwdepot voor de echtelijke woning. De man heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank zal bepalen dat een bedrag van € 26.000,- vanuit de gemeenschap aan de vrouw moet worden vergoed.

2.9.11.. De vergoedingsrechten van partijen kunnen met elkaar worden verrekend, wat betekent dat de man nog een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap betreffende de echtelijke woning ter hoogte van € 3.664,-. Dit betekent dat de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 1.832,- aan de man moet voldoen.

Kosten huishouding

2.9.12.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding aan haar een bedrag van € 362.496,- dient te betalen, binnen vijf dagen na de dag van de beschikking, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie bepaalt, dan wel een zodanige afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen als de rechtbank redelijk acht. Daarbij heeft zij verzocht te bepalen dat de man de wettelijke rente is verschuldigd over voornoemd bedrag vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.

2.9.13.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek van de vrouw. Hij heeft daartoe gesteld dat de vrouw haar vordering niet inzichtelijk heeft gemaakt. Bovendien zijn partijen in de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding overeengekomen, zodat een vordering over de kosten van de huishouding van vóór 2020, is vervallen.

2.9.14.. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de vrouw betrekking heeft op artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn daarin overeengekomen dat de kosten van de huishouding door de echtgenoten worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan, en voor zover deze inkomsten ontoereikend zijn, uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. De vrouw heeft gesteld dat zij haar vermogen heeft aangewend om de kosten van de huishouding te voldoen, terwijl de man niet naar evenredigheid heeft bijgedragen in deze kosten. Dit blijkt volgens de vrouw uit het feit dat haar vermogen gedurende het huwelijk is afgenomen, terwijl het vermogen van de man is gestegen.

2.9.15.. Het is de rechtbank niet gebleken dat één van beide partijen meer heeft bijgedragen dan waartoe hij of zij op grond van de huwelijkse voorwaarden gehouden was. De vrouw heeft geen gespecificeerd overzicht overgelegd waaruit blijkt wat de kosten van de huishouding waren per jaar en wat de inkomsten/vermogen van ieder van partijen was, in welke verhouding is bijgedragen in de kosten van de huishouding en in welke verhouding partijen hierin hadden moeten bijdragen. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de vordering zoals door de vrouw geformuleerd, zodat dit verzoek van de vrouw zal worden afgewezen en de overige hiermee samenhangende stellingen en verzoeken geen bespreking meer behoeven.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , thans gemeente [gemeente] op [huwelijksdatum] ;

3.2.. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

3.3.. bepaalt dat de man € 2.471,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4.. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning van partijen, de daaraan verbonden hypothecaire lening, spaarpolis en beleggingsrekening overeenkomstig het hierboven in rechtsoverweging 2.8.5 tot en met 2.8.15 bepaalde;

3.5.. bepaalt dat de man een vordering heeft op de eenvoudige gemeenschap van € 3.664,- (drieduizend zeshonderd vierenzestig euro), of een vordering op de vrouw van € 1.832,- (duizend achthonderd tweeëndertig euro);

3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning, de partnerbijdrage, de verdeling en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 19 februari 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

Weitere Entscheidungen