ECLI:NL:RBNHO:2026:1591
Zusammenfassung
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Alkmaar
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/353131 / FA RK 24-2783 en C/15/368177 / FA RK 25-3963
Beschikking d.d. 19 februari 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. D. Klein, gevestigd te IJmuiden,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. Verhoef, gevestigd te Alkmaar.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van de man, ingekomen op 21 mei 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 31 juli 2024;
het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 10 maart 2025;
het verweerschrift op het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 30 mei 2025;
nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 22 december 2025 en 12 januari 2026;
het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 15 januari 2026.
1.2.. De man heeft nadere stukken ingediend op 16 januari 2026, waartegen de vrouw bezwaar heeft gemaakt. Zoals ter zitting is medegedeeld aan partijen, zal de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laten, omdat deze te laat zijn ingediend gelet op het bepaalde in artikel 7.8 van het procesreglement scheiding.
1.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
2. De beoordeling
2.1.. Partijen zijn, onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , [land] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft gesteld dat de vrouw daarnaast de Tsjechische nationaliteit heeft.
2.2.. Partijen hebben een meerderjarige zoon, [de meerderjarige zoon] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] .
2.3.. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis in kort geding van 26 september 2024 de vorderingen van de man, onder meer tot het betalen van een voorschot op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, afgewezen.
2.4.. Bij beschikking van 30 oktober 2024 van deze rechtbank is bij wijze van voorlopige voorziening een door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud vastgesteld van € 7.109,- per maand, met ingang van 5 augustus 2024. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof Amsterdam heeft de vrouw bij beschikking van 4 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep en haar veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
2.4.1.. De door de vrouw te betalen voorlopige partnerbijdrage is bij beschikking van deze rechtbank van 17 november 2025 gewijzigd naar een bedrag van € 3.277,- per maand met ingang van 15 januari 2025.
2.5.. Scheiding
2.5.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.5.2.. De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting betwist en gesteld dat de man niet in staat is zijn wil te bepalen ten aanzien van de echtscheiding. De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen. Voor het geval de rechtbank de vrouw hierin niet direct volgt, heeft zij aanvullend verzocht een deskundigenonderzoek te gelasten en een VIA-deskundige te benoemen ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van de man ter zake zijn wens tot echtscheiding per mei 2024 en per heden.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.5.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.5.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Wilsbekwaamheid van de man
2.5.5.. De rechtbank stelt voorop dat voor de vraag of de man bekwaam is een verzoek tot echtscheiding in te dienen, moet worden beoordeeld of hij in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen en de betekenis van het verzoek tot echtscheiding te begrijpen. Is hieraan niet voldaan, dan is de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
2.5.6.. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de man sinds 2020 aan Parkinson lijdt en dat hij in oktober 2023 is gediagnosticeerd met Lewy Body-dementie. Op basis van de stukken stelt de rechtbank vast dat de toestand van de man in het najaar van 2023 ernstig achteruit is gegaan. De overgelegde medische stukken vermelden dat de man al in 2023 last had van toenemende cognitieve stoornissen en hallucinaties, dat zijn geheugen achteruit gaat en hij de weg naar het toilet minder goed kan vinden. De verslechterde situatie van de man heeft ertoe geleid dat hij op 4 december 2023 een CIS-indicatie heeft gekregen voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg. In dat kader heeft een beoordeling van de man plaatsgevonden. De man verblijft sinds januari 2024 in een verpleeghuis. Ook tijdens de mondelinge behandeling was de man verward, kon hij zinnen niet afmaken en viel hij terug in het verleden. Zo verkeerde hij in de veronderstelling dat hij nog dagelijks in het pand aan de [adres] komt, waar zijn kantoorboekhandel was gevestigd, wat volgens de vrouw niet juist is.
2.5.7.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij van de vrouw wil scheiden, omdat zij hem zou hebben gezegd een andere partner te hebben. De vrouw ontkent dat zij dit heeft gezegd. Volgens haar is er geen sprake van dat zij een andere partner heeft. Ook anderszins is de rechtbank hiervan niet gebleken. Niet duidelijk is in hoeverre deze gedachte – en daarmee de wens van de man om te scheiden – is ingegeven door de ziekte van de man.
2.5.8.. De man heeft ter onderbouwing van zijn wilsbekwaamheid een verklaring overgelegd van 23 april 2024 van [huisarts in opleiding] , huisarts in opleiding, die heeft verklaard dat de man wilsbekwaam is inzake het beheer van zijn vermogen en zijn levenstestament vanwege een op handen zijnde echtscheiding. Volgens de arts kon de man zijn verhaal helder uiteenzetten. De voormalige huisarts van de man, [de voormalige huisarts] , heeft op 11 november 2024 verklaard dat bij de man eind 2023 al sprake was van een snelle achteruitgang van zijn cognitieve vermogens en dat hij in dat licht niet begrijpt dat de man in april 2024 nog wilsbekwaam is verklaard. Uit de verklaring van [naam] , werkzaam in de geriatrische psychiatrie en neurologie, van 23 juni 2025 blijkt verder dat een verstoord beoordelingsvermogen en een verstoorde waarneming van de realiteit veel voorkomend zijn bij patiënten met Parkinson en Lewy Body-dementie. De cognitieve vermogens kunnen in korte tijd sterk wisselen, wat betekent dat het beoordelingsvermogen van de patiënt niet kan worden beoordeeld aan de hand van een enkel onderzoek. Van belang is dat de beoordeling wordt gedaan door een arts met veel ervaring en deskundigheid op het gebied van Parkinson en Lewy Body-dementie en wordt uitgevoerd door een arts die de patiënt goed kent. Gelet op de verklaringen van [de voormalige huisarts] en [naam] , heeft de man met de door hem overgelegde verklaring van [huisarts in opleiding] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij wilsbekwaam was ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.
2.5.9.. Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de man in staat is zijn wil om te scheiden te bepalen en hij dus wilsonbekwaam is. Dit betekent dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot echtscheiding.
2.6.. Overige verzoeken
2.6.1..
Nu de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek tot echtscheiding, kunnen er geen nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden getroffen. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat deze verzoeken geen bespreking behoeven als de echtscheiding niet wordt uitgesproken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.. verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 19 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.