ECLI:NL:RBNHO:2026:2239
Zusammenfassung
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Alkmaar
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/338474 / FA RK 23-1569 en C/15/343343 / FA RK 23-4088
Beschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N.J. Josipovic, gevestigd te 's-Gravenhage,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.E.M. Beijersbergen, gevestigd te Den Haag.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen:
de Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,
hierna te noemen: de Raad.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2023;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 6 juli 2023;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2023;
het aanvullend/gewijzigd verzoek van de man, ingekomen op 7 januari 2026;
nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;
nadere stukken van de man, ingekomen op 23 januari 2026.
1.2..
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door mr. N.J. Josipovic;
de man, bijgestaan door mr. M.E.M. Beijersbergen;
[vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.
2. De beoordeling
2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . Partijen zijn tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden aangegaan, waarbij zij iedere gemeenschap hebben uitgesloten. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.. De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2023 is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat [de minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de vrouw, is een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] vastgesteld en is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast is een door de man te betalen kinderbijdrage vastgesteld van € 330,- per maand. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is afgewezen.
2.4.. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2024 is een aanvullende zorgregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarige [de minderjarige 2] . Verder zijn partijen in de bodemprocedure verwezen naar de hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA).
2.5.. De vrouw heeft in een afzonderlijke procedure op grond van artikel 1:253a BW – kort gezegd – verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats] , [de minderjarige 1] in te schrijven op een school in [plaats] en haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen op vakantie te gaan. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 november 2024 zijn de verzoeken van de vrouw tot vervangende toestemming tot verhuizing en inschrijving van [de minderjarige 1] op een school afgewezen en is de man vervangende toestemming verleend om [de minderjarige 1] in te schrijven op de basisschool [basisschool] in [plaats] . Daarnaast is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met de kinderen op vakantie te gaan naar Disneyland Parijs.
2.6.. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding van 11 december 2025 blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling gedurende de kerstvakantie 2025/2026. Partijen hebben elkaar verder toestemming verleend om op vakantie te gaan met de kinderen.
2.7.. Scheiding
2.7.1.. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.7.2.. Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
2.7.3.. Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat partijen niet in staat zijn om met elkaar afspraken te maken over de kinderen. Hulpverlening in het kader van het UHA is onvoldoende van de grond gekomen. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.
2.7.4.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.8.. Verblijfplaats
2.8.1.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn.
2.8.2.. De man heeft zich hiertegen verweerd en heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem zal zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen aan het oordeel van de rechtbank overlaat, maar dat hij van mening is dat de hoofdverblijfplaats in ieder geval bij hem moet worden bepaald als de vrouw niet in [plaats] of omgeving blijft wonen.
2.8.3.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen de hoofdverzorger is geweest. De man en [de minderjarige 2] hebben nimmer in gezinsverband samengeleefd, omdat hij pas is geboren nadat partijen feitelijk al uit elkaar waren. Om die reden sluit de hoofdverblijfplaats bij de vrouw het meest aan bij de situatie zoals die al enkele jaren is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn. Dit betekent dat haar verzoek daartoe zal worden toegewezen en dat het verzoek van de man op dit punt zal worden afgewezen.
2.9.. Vervangende toestemming verhuizing
2.9.1.. De vrouw heeft, na wijziging en aanvulling van haar verzoek, verzocht haar toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] aan [adres] . Daarbij heeft zij verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige 1] in te schrijven op de [basisschool] in [plaats] , de kinderen in te schrijven bij de huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] , de kinderen in de schrijven bij [tandartspraktijk] en om [de minderjarige 1] in te schrijven op zwemles bij [zwembad] te [plaats] .
2.9.2.. De vrouw stelt dat na de beschikking van 8 november 2024, waarin haar verzoek tot vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen is afgewezen, een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden.
2.9.3.. De man heeft zich verweerd tegen het verzoek van de vrouw. Hij heeft gesteld dat de beschikking van 8 november 2024 in kracht van gewijsde is gegaan en tussen partijen ook gezag van gewijsde heeft. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw destijds beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria als waar de vrouw zich nu op beroept. Zij heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht.
2.9.4.. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen, afwijzen. Vast staat dat de meervoudige kamer van deze rechtbank bij beschikking van 8 november 2024 hetzelfde verzoek van de vrouw reeds heeft afgewezen. In tegenstelling tot wat de vrouw heeft gesteld, betrof dit een beslissing op een bodemverzoek op grond van artikel 1:253a BW en was dit geen voorlopige maatregel. De vrouw heeft geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking, waarmee de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee heeft de beslissing ook gezag van gewijsde gekregen, wat betekent dat de beslissing in de onderhavige procedure bindend is voor partijen. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat er na de beschikking van 8 november 2024 een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden die een nieuw verzoek en nieuwe beoordeling rechtvaardigen, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. De feiten en omstandigheden die de vrouw aanvoert, waren in de eerdere procedure al aan de orde en zijn meegenomen bij de beoordeling door de rechtbank.
2.9.5.. Het voorgaande brengt mee dat de overige met de verhuizing samenhangende verzoeken van de vrouw over de inschrijving van de kinderen op school, bij de huisarts, de tandarts en zwemles, eveneens zullen worden afgewezen.
2.10.. Verdeling zorg- en opvoedingstaken
2.10.1.. Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.
2.10.2.. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de week van vrijdag na school (dan wel 17.00 uur) tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven, alsmede iedere woensdag na school (dan wel 12.00 uur) tot donderdag naar school (dan wel 8.30 uur). De vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld. Daarnaast kunnen de man en de kinderen contact via Facetime hebben op maandag en dinsdag om 7.30 uur, voordat zij naar school gaan. Op studiedagen die aansluiten op de zorgregeling, zullen de kinderen bij de man zijn.
2.10.3.. De man heeft bij wijze van zelfstandig verzoek, na wijziging van zijn verzoek, verzocht een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van maandag naar school tot woensdag 8.00 uur bij de vrouw en van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de man verblijven en vervolgens van vrijdag 17.00 uur tot woensdag 17.00 uur bij de vrouw en van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man. Daarnaast heeft de man verzocht een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen.
2.10.4.. Uit de stukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, leidt de rechtbank af dat de man een grotere rol in de verzorging en opvoeding van de kinderen wenst. Hij heeft verklaard dat hij in staat is de door hem verzochte zorgregeling na te komen, omdat hij zijn werk flexibel kan inrichten en hij veel kan thuiswerken. De vrouw heeft verklaard dat zij de kinderen te jong vindt voor een co-ouderschapsregeling, mede omdat zij nog borstvoeding geeft aan [de minderjarige 2] . Zij wil een opbouwregeling vaststellen, zodat [de minderjarige 2] eraan kan wennen dat hij met zijn vader mee gaat.
2.10.5.. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat er geen redenen zijn om de door de man verzochte zorgregeling niet toe te wijzen. De rechtbank sluit hierbij aan. Daartoe overweegt de rechtbank dat de man, gelijk aan de vrouw, ouder is van de kinderen. [de minderjarige 1] is gewend aan het contact met zijn vader en ook [de minderjarige 2] heeft inmiddels meermalen bij de man overnacht. Niet gebleken is dat de man niet in staat is een groter gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Ook de kinderen laten geen signalen zien waarom dat niet mogelijk zou zijn. Dat zij zich na terugkomst bij de vrouw anders gedragen, is niet ongebruikelijk, omdat zij moeten schakelen tussen hun ouders. De rechtbank acht het voor de kinderen van belang dat zij een gelijk contact hebben met beide ouders en er geen onderlinge verschillen zijn. De leeftijd van de kinderen vormt evenmin een belemmering voor uitbreiding van de zorgregeling. De keuze van de vrouw om nog borstvoeding te geven aan [de minderjarige 2] , maakt dit niet anders, temeer nu [de minderjarige 2] niet meer afhankelijk is van borstvoeding en dit dus geen belemmering vormt om langer aaneengesloten bij de man te verblijven.
2.10.6.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de door de man verzochte zorgregeling zal toewijzen, inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij hem zullen zijn en in de even weken van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur. Nu beide kinderen al contact hebben met de man, ziet de rechtbank geen reden een opbouwregeling vast te stellen, zoals door de vrouw is verzocht. De rechtbank geeft partijen in overweging de hulpverlening vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin (Wijkteam) te hervatten, zodat zij ondersteuning kunnen krijgen in het verder vormgeven van het co-ouderschap. Van belang is namelijk dat de vrouw vertrouwen heeft in de man als vader en dat zij de kinderen emotionele toestemming kan geven om bij de man te zijn. Voor zover zij twijfels of negatieve gevoelens heeft over de zorgregeling, zal dit zijn weerslag hebben op de kinderen, wat mogelijk tot loyaliteitsproblemen kan leiden bij hen.
2.10.7.. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de vakanties bij helfte moeten worden verdeeld. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen erkend dat het praktisch is als de kinderen de eerste helft van de vakantie zullen verblijven bij de ouder waar zij het weekend daaraan voorafgaand zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen aan de hand van dit uitgangspunt jaarlijks samen tot een verdeling van de vakanties kunnen komen. Een meer gedetailleerde verdeling, zoals door de man is verzocht, acht de rechtbank niet uitvoerbaar, omdat de vakanties per jaar mogelijk kunnen verspringen naar even weken of oneven weken.
2.10.8.. Voor wat betreft de verdeling van de feestdagen zal de rechtbank de verdeling vaststellen zoals hierna te melden. De rechtbank volgt daarbij het verzoek van de man, omdat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom een andere verdeling moet gelden.
2.11.. Woning
2.11.1.. De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van drie dan wel zes maanden.
2.11.2.. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen voor de duur van zes maanden, nu de man zich niet, althans onvoldoende onderbouwd, heeft verweerd tegen dit verzoek. De vrouw heeft hiermee de gelegenheid een andere woning in de omgeving van de echtelijke woning te zoeken waar zij met de kinderen kan wonen.
2.11.3.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de termijn van zes maanden de wettelijke maximum termijn is. Dit laat onverlet dat als de vrouw eerder andere woonruimte kan betrekken, de woning eerder zou kunnen worden geleverd aan de man.
2.12.. Onderhoudsbijdragen
Kinderbijdrage
2.12.1.. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 383,- per kind per maand.
2.12.2.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.
2.12.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport Alimentatienormen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.
Behoefte
2.12.4.. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen, geïndexeerd naar 2026, € 1.700,- per maand bedraagt, wat neerkomt op € 850,- per kind per maand. De rechtbank zal hierbij aansluiten.
2.12.5.. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen op welke wijze deze kosten van de kinderen moeten worden verdeeld tussen de ouders.
Draagkracht man
2.12.6.. De man is in loondienst. Zijn fiscaal loon volgens de jaaropgave over 2025 bedroeg € 175.131,-. Volgens de man is dit loon inclusief de bijtelling van zijn auto van de zaak. Uit de salarisspecificatie van de man over december 2025 blijkt dat de totale bijtelling over dat jaar € 18.271,44 bedroeg, zodat dit bedrag op het fiscaal loon van de man in mindering zal worden gebracht. De rechtbank gaat daarom uit van een fiscaal loon van de man over 2025 van € 156.860,-.
2.12.7.. Op basis van dit inkomen van de man, berekent de rechtbank zijn netto besteedbaar inkomen op € 7.440,- per maand. Hij heeft daarmee een draagkracht voor het betalen van een kinderbijdrage van € 2.690,- per maand.
Draagkracht vrouw
2.12.8.. De vrouw is in loondienst. Zij heeft een salaris van € 5.159,- bruto per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld en een dertiende maand waarvoor zij € 430,- per maand opbouwt. Daarnaast heeft de vrouw de beschikking over een EBB budget van € 600,- per maand. De vrouw heeft toegelicht dat zij dit budget naar keuze kan inzetten voor bijvoorbeeld de aanschaf van een fiets of extra verlofuren en dat dit daarom niet moet worden meegenomen bij haar inkomen. Nu de vrouw heeft verklaard dat zij het afgelopen jaar het EBB budget niet heeft ingezet en dit bedrag volledig is uitbetaald, zal de rechtbank hiermee rekening houden bij de berekening van haar draagkracht. Verder houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie die de vrouw betaalt van € 245,- per maand en de PAWW-premie van € 5,- per maand.
2.12.9.. De vrouw maakt aanspraak op een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 5.043,- per jaar.
2.12.10.. Op basis van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 5.017,- per maand. Zij heeft dan een draagkracht van € 1.503,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
2.12.11.. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 4.193,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 1.700,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 1.091,- per maand en het aandeel van de vrouw bedraagt dan € 609,- per maand.
2.12.12.. Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Gelet op de zorgregeling zoals die in deze beschikking wordt vastgesteld, is een zorgkorting van 35% van toepassing. De zorgkorting beloopt € 596,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de kinderen bij de uitoefening van zijn zorgtaken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen na aftrek van de zorgkorting bedraagt € 495,- per maand, ofwel € 247,- per kind per maand.
Ingangsdatum
2.12.13.. De vrouw heeft verzocht voor de ingangsdatum voor wat betreft [de minderjarige 1] uit te gaan van de datum van deze beschikking en voor wat betreft [de minderjarige 2] met ingang van de dag van zijn geboorte, te weten [geboortedatum] , omdat de man tot op heden geen kinderbijdrage voor hem heeft voldaan. De man heeft zich hiertegen niet verweerd, zodat de rechtbank van deze ingangsdata zal uitgaan.
Conclusie
2.12.14.. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man een kinderbijdrage voor de kinderen van € 247,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen, voor [de minderjarige 1] met ingang van de datum van deze beschikking en voor [de minderjarige 2] met ingang van [geboortedatum] . Daarbij geldt dat de kinderbijdrage voor beide kinderen voor het eerst zal worden geïndexeerd met het wettelijke percentage met ingang van 1 januari 2027.
Partnerbijdrage
2.12.15.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 2.187,- per maand vast te stellen.
2.12.16.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.
2.12.17.. De rechtbank zal ook dit verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport Alimentatienormen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.
Behoefte
2.12.18.. De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend. De rechtbank zal hierbij uitgaan van de inkomens van partijen over het jaar 2023, omdat zij in dat jaar feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Uitgaande van het loon volgens de jaaropgave van de man van € 142.863,- per jaar en het loon volgens jaaropgave van de vrouw van € 67.207,- per jaar, heeft de vrouw het netto besteedbaar inkomen van partijen over 2023 berekend op € 10.824,- per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen ter hoogte van € 1.460,- per maand, bedroeg de huwelijksgerelateerde behoefte volgens de vrouw € 5.619,- netto per maand. De rechtbank zal van deze behoefte uitgaan, nu de man zich daartegen niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft verweerd. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte dan € 6.648,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
2.12.19.. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in deze behoefte kan voorzien. Daarbij houdt de rechtbank rekening met haar inkomen uit loondienst zoals hierboven in het kader van de kinderbijdrage is vermeld, waarbij geen rekening wordt gehouden met het kindgebonden budget dat zij ontvangt. Op basis van deze gegevens heeft de vrouw een netto besteedbaar inkomen van € 4.597,- per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.051,- netto per maand, wat neerkomt op € 4.045,- bruto per maand.
Draagkracht man
2.12.20.. Voor de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen in het kader van de kinderbijdrage, waaruit volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 7.440,- per maand.
2.12.21.. De rechtbank houdt rekening met het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) van € 1.091,- per maand. Hij heeft dan een resterende draagkracht van € 1.215,- netto per maand, wat gebruteerd neerkomt op € 1.945,- per maand.
Inkomensvergelijking
2.12.22..
De man heeft verzocht een inkomensvergelijking te maken. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat de onderhoudsgerechtigde (in dit geval de vrouw) na ontvangst van de partnerbijdrage niet méér heeft te besteden dan de onderhoudsplichtige (in dit geval de man). Een inkomensvergelijking wordt gemaakt om te berekenen welk bedrag de vrouw maximaal kan ontvangen zonder dat zij in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man. Uit de inkomensvergelijking volgt dat partijen in een gelijke financiële positie komen te verkeren als de man een partnerbijdrage voldoet van € 955,- bruto per maand, zodat de rechtbank dit bedrag zal vaststellen.
Ingangsdatum
2.12.23.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op deze datum.
Conclusie
2.12.24.. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 955,- per maand.
2.13.. Verdeling
2.13.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen worden verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze. De rechtbank zal hieronder de vermogensbestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen moeten worden verdeeld.
2.13.2.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.
1. De echtelijke woning aan [adres]
2.13.3.. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op deze woning rust een hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden.
2.13.4.. De man heeft gesteld dat hij al duidelijkheid heeft dat hij in staat is de woning te financieren. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man zal worden toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze conform het hierna bepaalde wordt getaxeerd, onder de voorwaarde dat de man uiterlijk 5 juni 2026 ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan haar de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd (dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen).
2.13.5.. Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de rechtbank bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De vrouw heeft drie NVM-makelaars voorgesteld om de taxatie te laten uitvoeren, te weten [makelaarskantoor] , [makelaarskantoor] en [makelaarskantoor] . De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat hij een taxatie wil via het NWWI, zodat andere makelaars ook naar het taxatierapport kijken om de onafhankelijkheid te waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is een taxatie door een NVM-makelaar met voldoende waarborgen omkleed. De rechtbank zal daarom niet bepalen dat de taxatie via het NWWI moet plaatsvinden. De man dient binnen een week na de datum van deze beschikking één van bovenstaande makelaars, die door de vrouw zijn voorgesteld, te kiezen.
2.13.6.. De vrouw heeft gesteld dat de man een rentevoordeel heeft, indien hij de woning overneemt met behoud van de huidige hypotheekrente. Zij stelt dat de man hiermee ongerechtvaardigd wordt verrijkt en dat hij de vrouw hiervoor moet vergoeden. De vrouw heeft dit verzoek verder niet geconcretiseerd en onderbouwd. Om die reden zal de rechtbank het verzoek afwijzen als te onbepaald.
2. Bankrekeningen
2.13.7.. Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening op naam van partijen wordt opgeheven nadat de echtelijke woning aan de man is geleverd, waarbij het dan aanwezige saldo bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen. In de tussenliggende periode wordt deze bankrekening gebruikt om de lasten van de echtelijke woning van te betalen. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen.
2.13.8.. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij voortaan alleen het beheer over de spaarrekening van [de minderjarige 1] zal hebben, zal worden afgewezen. Op grond van artikel 1:253i BW voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van hun minderjarige kinderen. Partijen kunnen onderling wel andere afspraken maken, zoals het voorstel van de man om het saldo te splitsen zodat ieder van partijen voortaan apart voor [de minderjarige 1] kan sparen.
3. Inboedel
2.13.9.. De vrouw heeft verzocht de volledige inboedel aan de man toe te delen tegen een waarde van € 6.045,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de vrouw. De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat hij inboedel in onderling overleg met de vrouw wil verdelen.
2.13.10.. Voor het geval partijen geen afspraken kunnen maken over de verdeling van de inboedel, zal de rechtbank de wijze van verdeling gelasten op de navolgende wijze. Partijen dienen dan gezamenlijk een inboedellijst te maken, waarop alle te verdelen inboedel staat vermeld. Door middel van het opgooien van een dobbelsteen wordt bepaald wie begint met kiezen van een goed (degene die het hoogst gooit, mag als eerste kiezen) en vervolgens kiezen partijen om de beurt een inboedelgoed, een en ander zonder nadere verrekening, totdat alle inboedelgoederen zijn verdeeld.
2.14.. Proceskosten
2.14.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [makelaarskantoor] ;
3.2.. bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
3.3.. bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
de kinderen verblijven in de oneven weken van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de man en in de even weken van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur;
de vakanties worden bij helfte verdeeld tussen partijen, waarbij de kinderen de eerste helft van de vakantie zijn bij de ouder waar zij het weekend direct voorafgaand aan de start van de vakantie zijn;
de feestdagen worden als volgt verdeeld:
in de even jaren: op Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop zullen de kinderen bij de man zijn;
in de oneven jaren: op Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop zullen de kinderen bij de vrouw zijn;
in de even jaren: op Koningsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop en Sinterklaas uit school/crèche, of 13.00 uur indien de kinderen die dag geen crèche en/of school hebben, tot naar school/crèche, of bij geen school/crèche 9.00 uur de dag daarop, zullen de kinderen bij de vrouw zijn;
in de oneven jaren: op Koningsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop en Sinterklaas uit school/crèche, of 13.00 uur indien de kinderen die dag geen crèche en/of school hebben, tot naar school/crèche, of bij geen school/crèche 9.00 uur de dag daarop, zullen de kinderen bij de man zijn;
Tenzij Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Koningsdag of Sinterklaas in de vakantie valt, dan is de vakantieverdeling bepalend;
op hun verjaardagen zijn de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
op de verjaardag van de man en Vaderdag: de kinderen zijn vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag bij de man;
op de verjaardag van de vrouw en Moederdag: de kinderen zijn vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag bij de vrouw;
3.4.. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;
3.5.. bepaalt dat de man € 247,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, voor [de minderjarige 1] met ingang van de dag van deze beschikking en voor [de minderjarige 2] met ingang van [geboortedatum] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.6.. bepaalt dat de man € 955,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.7.. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning van partijen en de daaraan verbonden hypothecaire lening overeenkomstig het hierboven in rechtsoverweging 2.13.4 en 2.13.5 bepaalde;
3.8.. gelast de wijze van verdeling van de inboedelgoederen aldus, dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. Voor het geval partijen hierover geen overeenstemming bereiken dienen zij gezamenlijk één inboedellijst te maken, waarna partijen om beurten een goed kiezen. De partij die het hoogste aantal ogen gooit met een dobbelsteen mag beginnen met kiezen;
3.9.. verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het voortgezet gebruik van de woning, de kinderbijdrage, de partnerbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
3.11.. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.