Skip to main content

ECLI:NL:RBNHO:2026:8119

Gericht

Haarlem

Datum

1 July 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Haarlem

Procedure: UitspraakDomain: BestuursrechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 24/2260, 24/6354, 24/6355 en 24/8196
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaken tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: R.O. Fischer),

en

1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer2. de raad van de gemeente Opmeer,

(gemachtigden: D.E.E.A. de Koning Joukes, mr. C. Grim en S.C. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissingen die het college heeft genomen naar aanleiding van een viertal verzoeken van eiser tot openbaarmaking van informatie. Eiser is het niet eens met die beslissingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissingen.

1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier er naar informatie is gezocht. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er desondanks méér openbaar te maken informatie voorhanden zou moeten zijn. Eiser heeft evenmin met succes aangevoerd dat het college ten onrechte heeft geweigerd (delen van) documenten openbaar te maken. Ten aanzien van de geheime raadsstukken heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat er nog voldoende grond was voor geheimhouding van die stukken. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft in de periode van 2 december 2022 tot en met 31 januari 2024 een viertal verzoeken ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). De verzoeken gaan kort samengevat over openbaarmaking van informatie over de verwerving van gronden in Hoogwoud-Oost ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouw. Het college heeft bij afzonderlijke besluiten op die verzoeken beslist. Eiser heeft steeds bezwaar gemaakt. Bij drie van de vier beslissingen op de bezwaren heeft het college meer informatie openbaar gemaakt.2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar.

2.2.. Het college heeft de niet openbaar gemaakte stukken met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank toegestuurd.

2.3.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daar schriftelijk op gereageerd.

2.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser met mr. [naam 1] , en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er aan de beroepen vooraf?

3. Op 18 januari 2022 heeft het college aan de gemeenteraad van Opmeer een voorstel gedaan tot het verwerven van grond in Hoogwoud-Oost voor de ontwikkeling van woningbouw.

3.1.. Naar aanleiding daarvan heeft eiser op 1 februari 2022, 30 april 2022, 18 juli 2022, 4 oktober 2022 en 21 februari 2023 informatieverzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de Woo ingediend bij het college. In zijn verzoeken vraagt hij onder meer om openbaarmaking van de inhoud van afspraken die zijn gemaakt ten aanzien van de (mogelijke) samenwerkingsovereenkomst met de combinatie KlokGroep/ Kuin /USP, alle vormen van overleg en gegevensuitwisselingen die er zijn geweest tussen en met potentiële gegadigden anders dan de combinatie KlokGroep/Kuin /USP over de verkoop van de grond in Hoogwoud-Oost, onderzoek naar het al dan niet voldoen aan het arrest van de Hoge Raad in de zaak Didam van 26 november 2021, met betrekking tot gronduitgifte, alle verdere informatie met betrekking tot de verwerving van de grond, al dan niet samen met de combinatie KlokGroep/ Kuin /USP voor zover niet al in het verzoek aangestipt en alle informatie met betrekking tot alle voorgenomen plannen die verband houden met de ontsluiting van de te verwerven grond met al bestaande of nieuw te ontwikkelen infrastructuur.De verzoeken hebben steeds betrekking op een andere periode.

3.2.. De beslissingen op bezwaar met betrekking tot de besluiten op de onder 3.1 genoemde informatieverzoeken waren onderwerp van geschil in een vijftal beroepen waarop door deze rechtbank op 16 juli 2025 is beslist.Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld.

3.3.. De vier informatieverzoeken waarop de onderhavige beroepen betrekking hebben, hebben allen dezelfde strekking als omschreven in 3.1, maar hebben betrekking op vier verschillende periodes.

Beoordeling van de beroepen

4. Eiser heeft beroep ingesteld op gronden die hierna worden besproken, voor zover voor de beslissing van belang. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb kennisgenomen van de niet openbaar gemaakte documenten.

Strijd met de goede procesorde

5. Eiser heeft op de zitting een pleitnota overhandigd met daarbij een bijlage. Het college heeft op zitting het standpunt ingenomen dat deze bijlage wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven. Volgens het college valt niet in te zien waarom de daarin opgenomen standpunten niet eerder door eiser naar voren konden worden gebracht en bovendien is het college niet in staat om daar op de zitting adequaat op te reageren.

5.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)volgt dat later in de procedure nog nadere gegevens of nadere stukken ter onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt mogen worden ingediend. Dat mag alleen niet als dat in strijd is met de goede procesorde. Er is sprake van strijd met de goede procesorde als die nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de bijlage bij de pleitnota wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Het college kan erin worden gevolgd dat niet valt in te zien dat eiser de hierin opgenomen argumenten niet eerder in de procedure naar voren kon brengen. Door eerst op zitting met een uitgebreide (nadere) concrete onderbouwing van de documenten die volgens eiser nog ontbreken, te komen, is het college belemmerd om daarop adequaat te reageren. De rechtbank zal de bijlage bij de pleitnota, voor zover die geen herhaling betreft van reeds aangevoerde argumenten, daarom niet bij de beoordeling betrekken.

Gewijzigde beslissing op bezwaar (24/6355)

6. Het college heeft in de zaak 24/6355 op 20 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaargenomen. Die houdt verband met het feit dat in de procedure over de opheffing van de geheimhouding van de drie raadsstukken is gebleken dat er geen geheimhouding op de documenten lag, zoals bedoeld in de Gemeentewet en de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo. De documenten bleken daarom wel degelijk onder de Woo te vallen. Het college heeft de drie documenten alsnog vrijwel geheel openbaar gemaakt.

6.1..

De rechtbank stelt vast dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van deze gewijzigde beslissing op bezwaar, omdat die heeft geleid tot openbaarmaking van meer informatie en daarmee tegemoet wordt gekomen aan eisers belangen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om het college in verband hiermee te veroordelen tot betaling van de proceskosten in die procedure en vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht. Dit omdat het college de drie documenten eerst in beroep alsnog (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt en het zich eerder ten onrechte op het standpunt had gesteld dat de Woo hierop niet van toepassing was.

Weigering opheffing geheimhouding (24/6354)

7. Uit de zoekslag van het college blijkt dat er twee documenten zijn die onder eisers Woo-verzoek vallen, waarop geheimhouding rust op grond van de Gemeentewet. Hierop is de Woo volgens het college niet van toepassing. Wel is eisers Woo-verzoek opgevat als een verzoek om opheffing van die geheimhouding. Desgevraagd heeft het college in de brief van 12 januari 2026 laten weten dat de raad het verzoek heeft afgewezen (hierna: het opheffingsbesluit), van welk besluit in het primaire besluit van 10 april 2024 inzake het Woo-verzoek mededeling is gedaan. Ter zitting heeft het college desgevraagd aangegeven dat de gemeenteraad geen separate beslissing op bezwaar heeft genomen met betrekking tot het geweigerde verzoek om opheffing van de geheimhouding.

7.1.. De Afdeling heeft in het belang van efficiënte geschilbeslechting bepaald dat, indien de verzoeker om informatie tegen de beslissing van het bestuursorgaan op het verzoek tot openbaarmaking bezwaar maakt of daartegen beroep instelt, dit bezwaar of beroep mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het opheffingsbesluit.Gelet hierop is het beroep van eiser mede gericht tegen het opheffingsbesluit van de raad. In dit verband heeft de rechtbank de gemachtigden van het college op zitting verzocht om een aanvullende machtiging, welke op 17 juni 2026 is ontvangen.

7.2.. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen, staat bij een verzoek om opheffing van de geheimhouding van documenten ter beoordeling of ten tijde van dat verzoek nog voldoende grond bestond voor de geheimhouding. Daarbij toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich, gelet op de inhoud van het stuk ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich een belang als artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo voordoet en of het bestuursorgaan in het betrokken geval op grond van de Gemeentewet geheimhouding heeft mogen opleggen. Voor zover het gaat om de opheffing van geheimhouding van een document met een verslag van een besloten vergadering van de raad geldt hetzelfde, met dien verstande dat daarnaast in het licht van de actuele situatie, de belangen van de destijds bij de besloten raadsvergadering aanwezige raadsleden uitdrukkelijk in aanmerking dienen te worden genomen.

7.3.. Wat betreft de actuele situatie en de betrokken belangen blijkt uit de brief van 12 januari 2026 van het college en de daarbij gevoegde bijlagen dat de onderhandelingen over de gronden in Hoogwoud-Oost nog niet zijn afgerond en dat openbaarmaking van de betreffende raadsstukken de economische belangen van de gemeente kunnen schaden. Zolang de onderhandelingen voortduren, wil de raad de stukken niet openbaar maken. Gelet hierop bestond er naar het oordeel van de rechtbank nog voldoende grond voor de geheimhouding van die documenten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Mocht het college deelbesluiten nemen? (24/2260 en 24/8196)

8. Eiser stelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden om deelbesluiten te mogen nemen. Volgens eiser is het Woo-verzoek niet complex of omvangrijk. Bovendien komt dit de efficiency niet ten goede en zijn de juridische gevolgen van het nemen van deelbesluiten niet goed te overzien, aldus eiser.

8.1.. De rechtbank stelt voorop dat de Woo op zichzelf niet in de weg staat aan het nemen van deelbesluiten. Het college heeft bovendien in de besluitvorming voldoende gemotiveerd waarom het tot het nemen van deelbesluiten is overgegaan. Daarbij is aangegeven dat de zoekslag nog voltooid moest worden en dat de aangetroffen documenten nog moeten worden beoordeeld en bewerkt. Niet gebleken is dat eiser hierdoor is benadeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft het college met vooringenomenheid beslist?

9. Eiser voert verder aan dat het college op zijn Woo-verzoeken en bezwaren met vooringenomenheid heeft beslist. Ter onderbouwing daarvan stelt hij allereerst dat de heer [naam 2] als opsteller van het raadsbesluit van 18 januari 2022 inhoudelijk betrokken is bij de bestuurlijke aangelegenheid waarover informatie is verzocht en dat hij enig dossierhouder is. Eiser vindt het opmerkelijk dat [naam 2] in het kader van de zoekslag is bevraagd, omdat [naam 2] er belang bij heeft dat niet alle informatie wordt verstrekt. Hij wijst erop dat [naam 2] niet in dienstbetrekking werkzaam is en dat wellicht sprake is van een resultaatverbintenis. Er vindt verder geen interne controle plaats op [naam 2] als enig dossierhouder. Verder stelt eiser in dit verband ook dat door de ambtelijke afhandeling van zijn bezwaar en het niet inschakelen van de commissie bezwaarschriften sprake is van een situatie waarin de slager zijn eigen vlees keurt.

9.1.. De rechtbank heeft in voornoemde uitspraak van 16 juli 2025 al overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] zich heeft laten leiden door een persoonlijk belang. Eiser heeft de beroepsgrond in deze zaak herhaald, maar niet nader geconcretiseerd dat [naam 2] zich door persoonlijke belangen heeft laten leiden en dat dit op de besluitvorming van invloed is geweest. In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus niet. Daarnaast heeft het college voldoende gemotiveerd dat op grond van de Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Opmeer 2022 geen aanleiding bestond om de commissie bezwaarschriften in te schakelen. Tot slot is inherent aan de bezwaarprocedure dat het college zijn eigen besluit dient te heroverwegen. Deze grond slaagt niet.

Zoekslag/ontbrekende documenten

10. Eiser stelt in algemene bewoordingen dat de zoekslag onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat bij hem de indruk bestaat dat niet alle documenten die hij heeft gevraagd en op de bestuurlijke aangelegenheid betrekking hebben openbaar zijn gemaakt. Hij vraagt zich in het algemeen af of er wel is gezocht naar WhatsApp-berichten en in mailboxen. Eiser heeft uit de stukken die wel openbaar zijn gemaakt afgeleid dat nog documenten ontbreken. Hij heeft daarbij verwezen naar een aantal concrete documenten.

10.1.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen,moet een bestuursorgaan voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.

10.2.. In de uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de zoekslag die het college in die zaken, die gelijk is aan die in de onderhavige zaken, heeft gehanteerd. De rechtbank heeft in die zaken geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag is verricht. Andere documenttypen dan e-mails, zoals chats, waaronder Whatsapp, maakten deel uit van die zoekslag heeft het college aangegeven. Dat is in de onderhavige zaken niet anders. Nu eiser slechts in algemene bewoordingen heeft aangevoerd dat de zoekslag niet deugt, brengt dit de rechtbank niet tot een ander oordeel.

10.3.. Daarnaast geldt dat, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling,wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

10.4.. Eiser heeft in alle zaken aangevoerd dat er informatie ontbreekt. Eiser ‘betwijfelt’ of er niet meer informatie is, ‘heeft de indruk dat er meer documenten moeten zijn’ en vindt het ‘opmerkelijk’, ‘onbegrijpelijk’, ‘onvoorstelbaar’, ‘onaannemelijk’ of ‘volstrekt ongeloofwaardig’ dat er niet méér informatie is. Hiermee is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk meer informatie onder het college berust.

10.5..

Wat betreft de specifiek genoemde documenten die eiser mist, geldt dat het college op al die documenten gemotiveerd is ingegaan, zowel reeds in de bestreden besluiten als ook in de verweerschriften. In alle gevallen geldt dat eiser de documenten ofwel via een ander informatieverzoek al heeft verkregen of dat het college het betreffende document niet heeft aangetroffen. Hetgeen eiser daartegen inbrengt is onvoldoende concreet en geeft de rechtbank geen reden voor twijfel aan het standpunt van het college.

Mocht het college zich beroepen op weigeringsgronden uit de Woo?

11. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, e, en i van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.

11.1.. Eiser voert in zijn algemeenheid aan dat uit de besluitvorming onmogelijk op te maken is of het college zich terecht beroept op deze uitzonderingsgronden van de Woo. Hij heeft een aantal documenten concreet benoemd, waarvan hij zich - zonder enige nadere toelichting - afvraagt waarom daarin gelakt is. Eiser stelt verder dat op dit moment niet meer in redelijkheid gesteld kan worden dat informatie die betrekking heeft op een periode tot december 2022 nog tot financiële en economische schade zou kunnen leiden. Het college heeft evenmin aangegeven wanneer deze informatie wel geopenbaard zou kunnen worden.11.2..

De rechtbank stelt vast het college de weggelakte delen uit documenten heeft voorzien van een code die correspondeert met de desbetreffende weigeringsgrond uit de Woo. Hiermee is inzichtelijk gemaakt welke weigeringsgrond op welke weggelakte passage van toepassing is. Daarnaast heeft het college inventarislijsten opgesteld, waarop alle documenten zijn genummerd, omschreven en is aangegeven welke weigeringsgrond erop van toepassing is. Verder heeft het college in de primaire besluiten en aangevuld in de bestreden besluiten, per weigeringsgrond gemotiveerd waarom daarop een beroep wordt gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de niet openbaar gemaakte documenten waarop eiser zich specifiek beroept en is van oordeel dat het college in redelijkheid de economische belangen, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het goed functioneren van de gemeente zwaarder mocht laten wegen dan het belang bij openbaarmaking van die delen van de documenten. Het college heeft een zorgvuldige toelichting gegeven op het weglakken van delen van die documenten en hetgeen eiser in algemene bewoordingen naar voren heeft gebracht in de beroepen, doet daar niet aan af.

Tot slot verplicht de Woo het college niet om aan eiser aan te geven wanneer documenten waarvan de openbaarmaking nu is geweigerd wel openbaar gemaakt kunnen worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op de vorenstaande overwegingen zijn de beroepen ongegrond en is beroep 24/6355, voor zover gericht tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de beslissingen op bezwaar in stand blijven. Zoals is overwogen in 6.1 moet het college wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat in beroep alsnog drie documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Daarnaast heeft eiser recht op een reiskostenvergoeding van € 24,00.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen ongegrond;

  • verklaart het beroep 24/6355 niet-ontvankelijk, voor zover dat beroep mede is gericht tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 niet-ontvankelijk;

  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,00 aan eiser moet vergoeden;

  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.892,00 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voor een uitgebreidere beschrijving verwijst de rechtbank naar de desbetreffende verzoeken.

ECLI:NL:RBNHO:2025:8172.

Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1959.

Als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb.

Zie in dit verband de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:894 (r.o. 9.2).

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367.

Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.

Weitere Entscheidungen