ECLI:NL:RBNNE:2026:2530
Zusammenfassung
Civiel recht; Arbeidsrecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: 12098049 \ AR VERZ 26-12
Beschikking van 3 juni 2026
in de zaak van
STICHTING ONAFHANKELIJK BEWONERSSTEUNPUNT MIJNBOUWSCHADE,
te Loppersum,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Stut en Steun,
gemachtigde: mr. E.W. Kingma,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. I.R. van der Rest.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties;
de aanvullende producties van de zijde van Stut en Steun;
de aanvullende productie van de zijde van Stut en Steun;
de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waar namens Stut en Steun zijn verschenen [externe HR-adviseur] en [leidinggevende] , bijgestaan door mr. E.W. Kingma. [verweerder] is verschenen tezamen met zijn partner, bijgestaan door mr. I.R. van der Rest.
1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.. Stut en Steun is een stichting die hulp en ondersteuning biedt aan iedereen die schadelijke gevolgen ondervindt van mijnbouwactiviteiten in de provincie Groningen.
2.2..
[verweerder] is sinds 15 februari 2021 in dienst bij Stut en Steun in de functie van Steunpuntmedewerker.
2.3..
[verweerder] heeft zich op 8 mei 2024 ziekgemeld. Na de ziekmelding was hij eerst enkele weken niet bereikbaar. Vervolgens vond op 24 mei 2024 een gesprek plaats waarbij [verweerder] , mevrouw [directeur] (directeur) en de heer [externe HR-adviseur] (externe HR-adviseur) aanwezig waren. [verweerder] heeft in dat gesprek aangegeven dat hij sinds zijn ziekmelding op verschillende momenten apathisch en niet bereikbaar is geweest.
2.4.. Op 26 juni 2024 heeft er een gesprek met de bedrijfsarts plaatsgevonden waarna de bedrijfsarts heeft aangegeven dat [verweerder] twee uren per dag op de reguliere werkdagen kon werken. Vervolgens is [verweerder] in juli 2024 verschillende keren niet op zijn werk verschenen, [verweerder] heeft zich een keer niet afgemeld en twee keer via een WhatsApp-bericht afgemeld. Stut en Steun heeft [verweerder] op 25 juli 2024 bij brief gewaarschuwd voor eventuele arbeidsrechtelijke sancties indien [verweerder] zich opnieuw niet telefonisch zou afmelden zoals in de verzuimregels is voorgeschreven.
2.5.. Op 10 oktober 2024 heeft Stut en Steun de loonbetaling opgeschort toen [verweerder] niet verscheen bij een afspraak bij de maatschappelijk werker van ArboNed. De loonbetaling is nadien hervat nadat [verweerder] bij een afspraak bij de maatschappelijk werker is verschenen.
2.6.. In januari 2025 en februari 2025 heeft [verweerder] verschillende gesprekken met de maatschappelijk werker van ArboNed en de bedrijfsarts afgezegd, dan wel is hij niet verschenen. Stut en Steun heeft bij brief van 13 februari 2025 gewaarschuwd voor arbeidsrechtelijke sancties indien [verweerder] de afspraken in het kader van de re-integratie niet nakomt.
2.7.. In april 2025 heeft [verweerder] twee afspraken met de heer [leidinggevende] (zijn leidinggevende) afgezegd. Op 29 april 2025 stond een arbeidsdeskundig onderzoek gepland waarbij [verweerder] niet is verschenen. [verweerder] heeft van tevoren aan de heer [leidinggevende] gemeld dat hij zich had verslapen en zich niet goed voelde. In mei 2015 is [verweerder] drie ochtenden per week op arbeidstherapeutische basis werkzaam. Vanaf 19 mei 2025 is het tweede spoor ingezet.
2.8.. Op 12 juni 2025 heeft [verweerder] aan de heer [leidinggevende] gemeld dat hij ziek was en is hij enkele dagen niet op kantoor verschenen. Ook het kennismakingsgesprek met de begeleider van het tweede spoor van Amplooi is afgezegd door de heer [leidinggevende] omdat [verweerder] had aangegeven dat hij zich niet goed voelde.
2.9.. Bij het gesprek dat op 17 juni 2025 opnieuw gepland was met de begeleider van het tweede spoor is [verweerder] niet verschenen. [verweerder] gaf richting de heer [leidinggevende] aan dat hij zich had verslapen. Stut en Steun heeft nadien bij brief van 17 juni 2025 aan [verweerder] aangegeven dat de loonbetaling werd opgeschort en dat de loonbetaling pas zou worden hervat zodra het kennismakingsgesprek met de begeleider van het tweede spoor zou hebben plaatsgevonden, welke op 18 juni 2025 heeft plaatsgevonden.
2.10.. In juli en augustus 2025 heeft [verweerder] zich verschillende keren afgemeld voor werk. Nadien was [verweerder] op 2 september 2025 te laat voor werk en is hij op 4 september 2025 thuis gaan werken terwijl dit niet was afgestemd. Op 10 september 2025 stond er een evaluatiegesprek met de heer [leidinggevende] en de heer [externe HR-adviseur] gepland waarbij [verweerder] niet is verschenen. Stut en Steun heeft per die dag een loonstop toegepast en [verweerder] daarover aangeschreven.
2.11.. Nadien is [verweerder] bij sommige gesprekken wel aanwezig geweest (bijvoorbeeld met de bedrijfsarts), maar is hij niet verschenen bij een gesprek met de begeleider van het tweede spoor, een door haar gepland driegesprek met [verweerder] en de heer [leidinggevende] en heeft hij geen contact met haar opgenomen terwijl daar wel om is verzocht. Verder is hij op enkele (onaangekondigde) bezoeken na niet meer op het werk verschenen.
2.12.. In februari 2026 heeft [verweerder] tijdens een gesprek met de heer [leidinggevende] en de heer [externe HR-adviseur] aangegeven dat hij een verslaving had. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij het er verder niet over wilde hebben.
2.13.. Stut en Steun heeft een deskundigenonderzoek aangevraagd over de re-integratie inspanningen van [verweerder] . In het arbeidsdeskundig rapport van 30 april 2026 staat onder meer het volgende vermeld:
“Werknemer gaf in het gesprek wat ik met hem had op 23 april 2026 aan dat hij, omdat het niet goed met hem ging, niet in staat was om te reageren op werkgever, bedrijfsarts en re-integratiebedrijf. Ook was hij niet in staat om activiteiten te ondernemen in het kader van de re-integratie. Ik heb daarom de vraag voorgelegd aan de arts of de oorzaak van het niet nakomen van afspraken met het re integratiebedrijf, de bedrijfsarts en de werkgever gelegen is in ziekte of gebrek. Uit onderzoek van de arts blijkt op 29 april 2026 dat de arts, mevrouw [arts] , op basis van de beschikbare informatie niet vast kan stellen dat er bij cliënt sprake is van een zodanig ernstige ziekte dat hij niet in staat was om afspraken na te komen met het re-integratiebedrijf, de bedrijfsarts en de werkgever. (…)
Van de werknemer wordt verwacht dat hij meewerkt aan de re-integratie en zich houdt aan afspraken en voorschriften als dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht. Naar mijn mening heeft werknemer zich niet gehouden aan redelijke voorschriften van werkgever of van deskundigen die hem begeleiden zoals bedrijfsarts of re-integratiebegeleider omdat hij zich niet aan afspraken hield om contact te hebben met werkgever, bedrijfsarts en re-integratiebegeleider en activiteiten te ondernemen in het kader van de re-integratie. De arts kan op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen dat er bij werknemer medische redenen zijn om aan te nemen dat werknemer niet mee kon werken aan de re-integratie en zich niet aan afspraken en voorschriften van werkgever en deskundigen die hem begeleiden zoals bedrijfsarts en re-integratiebegeleider van het re-integratiebedrijf kon houden. Daarom kon medewerking aan re-integratie en het houden aan afspraken en voorschriften redelijkerwijs van werknemer worden verwacht. Ik vind daarom dat de re-integratie inspanningen van de werknemer onvoldoende zijn.”
3. Het verzoek
3.1.. Stut en Steun verzoekt om de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op de kortst mogelijke termijn ex artikel 7:671b BW, zonder toekenning van een transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 7 sub c BW of enige andere vergoeding, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.
3.2.. Stut en Steun heeft primair aan het verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] en dat daarnaast sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding maar dat de kantonrechter deze grondslag als subsidiaire grondslag dient te behandelen en (meer) subsidiair dat sprake is van een combinatie van gronden.
3.3..
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek.
4. De beoordeling
4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is zoals bepaald in artikel 7:669 lid 1 en lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). Verder dient te worden nagegaan of sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of een vergelijkbaar opzegverbod.
4.2.. Het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst is door Stut en Steun in de eerste plaats gegrond op verwijtbaar handelen of nalaten (artikel 7:669 lid 3 sub e BW) in verband met het zonder deugdelijke grond door [verweerder] niet nakomen van zijn re-integratieverplichtingen.
4.3.. In artikel 7:671b lid 5 BW is bepaald dat een dergelijk verzoek wordt afgewezen indien de werkgever de werknemer niet eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van de verplichtingen of zij de loonbetaling niet heeft gestaakt. Verder dient er een verklaring zoals bedoeld in artikel 7:629a BW te worden overgelegd tenzij dit in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd. Niet ter discussie staat dat Stut en Steun [verweerder] heeft gemaand om te voldoen aan de re-integratieverplichtingen en dat zij een loonstop heeft toegepast. Ook heeft zij een deskundigenoordeel van het UWV als bedoeld in artikel 7:629a BW in het geding gebracht. Aan deze formaliteiten is dan ook voldaan.
4.4.. In beginsel geldt tijdens ziekte een opzegverbod (artikel 7:670 BW). In artikel 7:670a lid 1 BW is echter bepaald dat dit opzegverbod niet van toepassing is indien de werknemer zonder deugdelijke grond de verplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van deze verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt.
4.5.. Niet ter discussie staat dat [verweerder] de verplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW niet is nagekomen, dat – zoals reeds overwogen – Stut en Steun hem heeft aangemaand om de verplichtingen na te komen en dat zij de loonbetaling heeft gestaakt. Thans dient beoordeeld te worden of [verweerder] ‘zonder deugdelijke grond’ de verplichtingen niet is nagekomen, in welk geval het opzegverbod niet van toepassing is. Ook dient beoordeeld te worden of sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerder] . [verweerder] betwist dat daarvan sprake is. De kantonrechter zal daar eerst op ingaan.
4.6..
[verweerder] is de verplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW niet nagekomen doordat hij niet is verschenen op afspraken van de werkgever, bedrijfsarts, begeleider van het tweede spoor en maatschappelijk werker en hij meerdere keren niet is verschenen op het werk. Onder het kopje ‘De feiten’ heeft de kantonrechter een samenvatting gegeven van de momenten waarop [verweerder] zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Dit handelen en nalaten van [verweerder] levert naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel verwijtbaar handelen en/of nalaten op in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. [verweerder] heeft echter aangevoerd dat hij kampt met een drugsverslaving en dat hij daardoor niet in staat is geweest om die gesprekken bij te wonen en te werken. Volgens [verweerder] is er daarom geen sprake van verwijtbaar handelen en/of nalaten.
4.7.. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] , mede gelet op de toelichting van zijn partner, voldoende heeft onderbouwd dat hij kampt met een drugsverslaving. [verweerder] heeft evenwel onvoldoende onderbouwd dat hij door deze verslaving niet in staat was om naar gesprekken te komen en om te werken. Hij heeft ook geen (medische) stukken of verklaringen overgelegd waaruit de ernst en duur van de verslaving en de belemmeringen zouden blijken. De arbeidsdeskundige heeft in het arbeidsdeskundig rapport ook vermeld dat de arts geen medische redenen zag om aan te nemen dat [verweerder] niet kon meewerken aan de re-integratie en de arbeidsdeskundige heeft ook geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen onvoldoende waren. Hoewel [verweerder] niet aan de arts of de arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat hij kampt met een drugsverslaving, is de kantonrechter van oordeel dat aan dit rapport wel gewicht kan worden toegekend, mede gezien er geen (medische) stukken zijn overgelegd die het rapport tegenspreken. De kantonrechter is gelet daarop van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [verweerder] geen of minder verwijt treft ter zake van het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen.
4.8.. Door [verweerder] is nog aangevoerd dat Stut en Steun te weinig actie heeft ondernomen nadat [verweerder] in februari 2026 had gemeld dat hij kampte met een verslaving. Zo heeft Stut en Steun volgens haar onder meer nagelaten om die informatie te delen met de bedrijfsarts. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [verweerder] van mening is dat Stut en Steun ook een verwijt kan worden gemaakt van de gang van zaken en dat dit ook moet worden betrokken in de beoordeling of sprake is van zodanig verwijtbaar handelen dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Door Stut en Steun is evenwel onweersproken gesteld dat [verweerder] geen nadere toelichting wilde geven nadat hij had aangegeven dat hij kampte met een verslaving. Voor Stut en Steun was het dan ook onduidelijk welke verslaving het betrof en wat de ernst van deze verslaving was. De kantonrechter is van oordeel dat van Stut en Steun niet kon worden verwacht dat zij iets met deze beperkte informatie deed, zoals het delen daarvan met de bedrijfsarts. Van [verweerder] had juist mogen worden verwacht dat hij deze informatie zou delen met onder andere de bedrijfsarts. Stut en Steun heeft zich naar het oordeel van de kantonrechter ook twee jaar lang ingezet voor de re-integratie van [verweerder] , onder meer door (bovenop het inschakelen van een bedrijfsarts en een begeleider van het tweede spoor) veel gesprekken te voeren met [verweerder] , tijdig actie te ondernemen en maatschappelijk werk in te zetten.
4.9.. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de ernst van het verwijtbaar handelen en/of nalaten door [verweerder] en de door de werkgever verrichte inspanningen, van Stut en Steun niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog te laten voortduren.
4.10.. Verder is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken van een ‘deugdelijke grond’ voor het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen, aangezien niet is gebleken dat [verweerder] daartoe niet in staat was. Daarmee is het opzegverbod niet van toepassing.
4.11.. Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn ligt gelet op al het voorgaande niet in de rede.
4.12.. De kantonrechter overweegt bovendien dat van een doorkruising van het wettelijke systeem wanneer de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden terwijl er ook om toestemming van het UWV kan worden gevraagd voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst, zoals door [verweerder] is aangevoerd, geen sprake is. De wetgever heeft juist voor de situatie dat de werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt de mogelijkheid gecreëerd om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat er (inmiddels) ook toestemming aan het UWV zou kunnen worden gevraagd voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst, laat deze mogelijkheid onverlet.
4.13.. Volgens Stut en Steun kan het handelen en nalaten van [verweerder] aangemerkt worden als ernstig verwijtbaar handelen. Daar gaat de kantonrechter in mee. De lat om het handelen of nalaten als ernstig te bestempelen ligt hoog maar de kantonrechter vindt steun voor dit oordeel in de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid waar het niet naleven van de re-integratieverplichtingen zonder gegronde reden als voorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen wordt genoemd.
4.14.. Dit betekent dat op grond van artikel 7:671b lid 9, aanhef en onder b BW de kantonrechter zal bepalen dat de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2026 eindigt.
4.15.. Stut en Steun heeft de kantonrechter verder verzocht om te bepalen dat [verweerder] geen transitievergoeding toekomt op grond van artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c BW. De kantonrechter is echter van oordeel dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter is uit het gesprek met [verweerder] en zijn voorkomen ter zitting gebleken dat [verweerder] zich in een moeilijke positie bevindt. Door het niet toekennen van de transitievergoeding wordt hij te zwaar benadeeld, terwijl hij voorafgaand aan zijn ziekte en het re-integratietraject ook drie jaar werkzaam is geweest bij Stut en Steun. De transitievergoeding is dus verschuldigd conform het bepaalde in artikel 7:673 BW. Aangezien er niet is verzocht om toekenning van een transitievergoeding, zal de kantonrechter dit niet kunnen toewijzen.
4.16.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Stut en Steun worden begroot op € 1.148,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2026;
5.2.. veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.148,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.3.. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
52952