ECLI:NL:RBNNE:2026:2591
Zusammenfassung
Bestuursrecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2066
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen
Resort Westerkwartier B.V., statutair gevestigd te Capelle aan den IJssel, verzoekster
(gemachtigde: mr. M. A . Jansen)
en
het college van burgemeester en wethouders van Westerkwartier
(gemachtigde: mr. T.D. Polak)
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
1.2.. Bij e-mailbericht verzonden op 24 juni 2026 is door Westerkamp, werkzaam voor verweerder, het volgende medegedeeld aan Kleen Resorts.
“In reactie op onderstaande communicatie deel ik u het volgende mee;
Op basis van de huidige situatie mogen wij geen adressen opnemen in de BAG. Wij hebben via recente satellietfoto’s geconstateerd dat het terrein, gelegen achter en naast [adres] leeg is. Vergunningvrije objecten mogen pas in de BAG geregistreerd worden als geconstateerd is dat deze er feitelijk staan. […]”
1.3.. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
2. Verzoekster verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 om 13.00 uur de standplaatsen zoals weergegeven op de bij het verzoek gevoegde tekening van het recreatieterrein vast te stellen en nummers toe te kennen en dit te registreren. Voorts wordt verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot het vergoeden van het griffierecht.Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Het geschil gaat over een voormalige camping, gelegen op het adres plaatselijk bekend [adres] . In het bezwaarschrift gedateerd 25 juni 2026 is het terrein nader geduid als de percelen kadastraal bekend gemeente Marum, sectie [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7] .
4. In verweerders gemeente is de bevoegdheid om standplaatsen vast te stellen in de zin van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen door de raad van de gemeente gedelegeerd aan verweerder.
5. Het door verzoekster gemaakte bezwaar richt zich tegen de weigering op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet BAG) standplaatsen vast te stellen. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of het niet-vaststellen van standplaatsen als bedoeld in artikel 6 van de Wet BAG een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BAG volgt dat de in de adressen- en gebouwenregistraties opgenomen gegevens alle zijn terug te voeren op een in het adressen- of gebouwenregister opgenomen brondocument.Er is voor het college in beginsel geen interpretatievrijheid en opneming of wijziging van een gegeven is in beginsel niet op rechtsgevolg gericht. Als uitgangspunt geldt dat de wijziging van een registratie in de BAG geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.Niet valt in te zien waarom dat voor de weigering om standplaatsen vast te stellen anders zou zijn.
7. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing om geen standplaatsen vast te stellen voor de litigieuze kadastrale percelen niet op rechtsgevolg is gericht. Dat is anders als een belanghebbende die gerede twijfel heeft over de juistheid van een in de basisregistratie opgenomen authentiek gegeven of het ontbreken van een authentiek gegeven in de basisregistratie het college van burgemeester en wethouders onder opgaaf van redenen heeft verzocht dat gegeven te wijzigen respectievelijk op te nemen in de basisregistratie.De voorzieningenrechter is van oordeel dat die situatie in het onderhavige geval niet aan de orde is, zodat geen sprake is van een besluit.
Conclusie en gevolgen
8. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Met overeenkomstige toepassing van artikel 2.5, zevende lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat geen griffierecht wordt geheven. Als inmiddels griffierecht is betaald, dan zal de griffier dit terugbetalen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
. Artikel 6 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Westerkwartier 2019; Gemeenteblad 2019, 3092.
. Kamerstukken II2006/07, 30 968, nr. 3, blz. 18 en 19.
. Vgl. rov. 6 van ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1043.
. Artikel 38 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, gelezen in samenhang met artikel 41 van die wet.
. Stcrt. 2025, 20750.