Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2638

Gericht

Leeuwarden

Datum

12 January 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Strafrecht; Materieel strafrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Leeuwarden

Procedure: UitspraakDomain: Strafrecht; Materieel strafrechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/264427-23

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 31 december 2025 (sluiting van het onderzoek).

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Groningen en/of Roden en/of Drachten en/of Appingedam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 194 tvs en/of soundbars, althans meerdere tvs en soundbars, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 december 2025;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2023, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023016680 d.d. 12 september 2023, inhoudend de verklaring van [naam] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, 194 tvs en soundbars, toebehorend aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van enkel een voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte, die werkzaam was bij het bedrijf [bedrijf] , heeft zich gedurende 2,5 maand samen met een andere oud-werknemer schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal tvs en soundbars van voornoemd bedrijf. Hoewel de rechtbank onderkent dat medeverdachte hierbij een initiërende en organiserende rol heeft gehad, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank eveneens een

essentiële rol gespeeld in het geheel. Verdachte had het vertrouwen van de eigenaren van het bedrijf, had dan ook toegang tot alle systemen van het bedrijf en was daardoor in staat om via haar werkaccount de valse bestellingen en de valse etiketten aan te maken waarmee de goederen werden verzonden. Zonder die toegang en de handelingen die verdachte heeft verricht hadden de diefstallen niet kunnen plaatsvinden. Door haar handelwijze heeft verdachte het vertrouwen dat de eigenaren van het bedrijf, die zij al van jongs af aan kende, in haar hadden op grove wijze geschaad. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij uit gevoelens van verliefdheid voor medeverdachte heeft gehandeld. De rechtbank heeft oog voor deze omstandigheid, maar is van oordeel dat dit verdachte niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid. De rechtbank neemt het verdachte daarbij in het bijzonder kwalijk dat zij ook na haar uitdiensttreding op 1 januari 2023 haar handelwijze heeft voortgezet. Verdachte heeft door samen met medeverdachte een groot aantal goederen te stelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [bedrijf] . Ter zitting is gebleken dat de opbrengsten van de gestolen goederen enkel ten gunste van medeverdachte kwamen en dat verdachte hiervan niet heeft geprofiteerd. Door het handelen van verdachte en medeverdachte heeft het bedrijf grote financiële schade geleden. De rechtbank weegt in positieve zin mee dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen. Zij heeft al geruime tijd geleden haar excuses aangeboden aan de eigenaren van het bedrijf en zij heeft met hen een civiele schikking ter hoogte van 110.000,00 getroffen voor de door het bedrijf geleden schade.

Deze schikking heeft zij inmiddels ook voldaan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt.

Op te leggen straf

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit in beginsel de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gelet op de omvang van de schade aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude. Bij fraude met een benadelingsbedrag tussen de 125.000,00 en 250.000,00 is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke detentie voor de duur van negen tot twaalf maanden.

De rechtbank zal bij de strafbepaling echter met de volgende feiten en omstandigheden in strafmatigende zin rekening houden en legt aan verdachte geen (on)voorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank kent bijzonder gewicht toe aan het forse tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte op 27 maart 2023 en de inhoudelijke behandeling van de zaak op 18 december 2025. Het tijdsverloop bedraagt daarmee ruim 2 jaar en 8 maanden. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De overschrijding van de redelijke termijn is op geen enkele wijze aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is bovendien na deze feiten niet meer in aanraking gekomen met justitie. Ten slotte heeft verdachte haar leven op orde en het is niet wenselijk dat een gevangenisstraf dit doorkruist. Wel is de rechtbank, anders dan door de raadsman is bepleit, van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van een behoorlijke duur op zijn plaats is. Het enkel opleggen van een geheel voorwaardelijke straf doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Alles afwegend legt de rechtbank een werkstraf op waarvan het onvoorwaardelijk deel hoger is dan door de officier van justitie is geëist. Dit vanwege de rol die verdachte heeft gespeeld bij het plegen van deze feiten. Anderzijds ziet de rechtbank geen aanleiding om naast een onvoorwaardelijke taakstraf ook nog een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Verdachte heeft haar leven op orde en heeft de schade die zij heeft aangericht afgehandeld. De rechtbank heeft ziet dan ook geen aanleiding dat gevreesd moet worden dat verdachte opnieuw de fout zal in gaan.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.

Weitere Entscheidungen