Skip to main content

ECLI:NL:RBOBR:2026:4830

Gericht

's-Hertogenbosch

Datum

8 July 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

's-Hertogenbosch

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 26/1698 en SHE 26/1699

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekers]

[verzoekers], samen verzoekers,

(gemachtigde: [naam] ),

en

Het bestuur van de Onderwijsstichting Zelfstandige Gymnasia (OSZG),

(gemachtigde: mr. C. van der Goot - Koenig).

Samenvatting

1.1.. Deze uitspraak gaat over de verwijdering een leerling van een middelbare school. De ouders van de leerling zijn het niet eens met het besluit tot verwijdering en hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van OSZG geen stand kan houden, omdat het niet goed is onderbouwd. [leerling's] ouders krijgen dus gelijk in deze procedure. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter ook direct uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

1.3.. Vanaf punt 4 in deze uitspraak wordt – ten behoeve van de leesbaarheid – de verwerende partij OSZG aangeduid als ‘de school’, al gaat het om een besluit van (het bestuur van) de overkoepelende stichting.

Aanloop en procesverloop

2. Op 13 maart 2026 is geconstateerd dat er een incident heeft plaatsgevonden waarbij [leerling] betrokken was. Vanaf 18 maart 2026 is [leerling] geschorst, in afwachting van nader onderzoek naar het incident.

2.1.. Op 30 maart 2026 heeft de school een schorsingsbesluit en een voornemen tot verwijdering van [leerling] genomen. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het schorsingsbesluit, een zienswijze ingediend tegen het voornemen en daarbij vermeld bezwaar te zullen maken als er een definitief verwijderingsbesluit wordt genomen. Op 10 april 2026 heeft de school het definitieve besluit tot verwijdering van [leerling] genomen.

2.2.. Op 14 april 2026 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden over het schorsingsbesluit. OSZG heeft daarop op 20 april 2026 het bezwaar tegen het schorsingsbesluit ongegrond verklaard. De schorsing maakt verder geen deel uit van deze procedure bij de rechtbank.

2.3.. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het verwijderingsbesluit van 10 april 2026 en op 27 mei 2026 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Met het bestreden besluit van 3 juni 2026 op het bezwaar van verzoekers is OZSG bij het besluit tot verwijdering gebleven. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ze hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.4.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het bestuur samen met [naam] , rector ad interim (hierna: de rector).

2.5.. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekers daartegen.

2.6.. Nadien hebben verzoekers nog een e-mail toegestuurd, die niet meer wordt meegenomen bij de beoordeling, omdat het onderzoek op dat moment al was gesloten en er geen aanleiding is om het onderzoek te heropenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De vaststaande feiten

3.1.. Verzoekers zijn de ouders van [leerling] . [leerling] was tijdens de gebeurtenissen in deze zaak 13 jaar oud en zit in de brugklas van het [middelbare school 1] een school die valt onder de onderwijsstichting waarvan verweerder het bestuur vormt. Op 13 maart 2026 is vastgesteld dat [leerling] betrokken is geweest bij het vervaardigen en verspreiden van een aantal filmpjes via TikTok. Op die filmpjes is één van zijn docenten op een zeer racistische manier afgebeeld. De filmpjes zijn gemaakt met GrokAI. [leerling] is door de schoolleiding geconfronteerd met de filmpjes en heeft erkend dat hij ze heeft gemaakt. Hij is geschorst en vervolgens is het besluit tot verwijdering genomen.

3.2.. In het dossier zitten 9 screenshots van de – inmiddels verwijderde – filmpjes. Van een deel van die screenshots staat vast dat ze van door [leerling] gemaakte AI-filmpjes afkomstig zijn. Op de screenshots is onder meer te zien dat de docente is afgebeeld terwijl zij katoen plukt in een katoenveld, met achter haar een slavendrijver die een zweep vasthoudt en waarbij de tekst staat “Hoooo.. ik werkte niet snel genoeg”en de hashtags“#minderwaardig #zwart”, voorafgegaan door een hashtag met de achternaam van de betreffende docente.Ook is er een screenshot waarop de docente is afgebeeld met het hoofd van een gorilla. Eén van de screenshots bevat de tekst“Een dag in mijn leven als minderwaardig persoon”.

Het standpunt van de school

4. De school heeft besloten tot definitieve verwijdering van [leerling] omdat zij vindt dat voortzetting van het onderwijs aan [leerling] niet langer verantwoord is en dat de rust, orde en veiligheid binnen de school ernstig in het geding zijn gekomen. In het bestreden besluit staat dat nadat de TikTok-filmpjes waren ontdekt, sprake was van acute en breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid onder het onderwijspersoneel. De aard van de filmpjes is diep racistisch en discriminerend. Daarmee is de menselijke waardigheid van de betrokken medewerker aangetast, terwijl de gedraging tegelijkertijd de sociale veiligheid binnen de school als geheel raakt en dus haaks staat op de zorgplicht die de school heeft om een sociaal veilige omgeving te waarborgen. Volgens de school staat het incident niet op zichzelf en is er een patroon van incidenten. Interventies daarop hebben niet tot een gedragsverandering geleid. Er is verder uitvoerig onderzocht of een minder ingrijpende maatregel mogelijk was. Uit overleg met de mentoren van de brugklassen bleek echter dat er geen draagvlak voor was om [leerling] in een andere klas te plaatsen.

Het standpunt van verzoekers

5. Verzoekers betwisten de door de school aan [leerling] tegengeworpen feitelijke omstandigheden. Zo wordt [leerling] ten onrechte verweten dat hij alle filmpjes waarvan screenshots zijn gemaakt, heeft vervaardigd. Er is ook content opgenomen in het dossier die niet door [leerling] , maar door een andere leerling is gemaakt. Ook wordt hem ten onrechte verweten dat hij de filmpjes pas verwijderd zou hebben nadat hij erop was aangesproken. Hij heeft de filmpjes namelijk al eerder, uit eigen beweging en anderhalve dag nadat hij ze geplaatst had, verwijderd, omdat hij zich realiseerde dat het niet kon wat hij had gedaan. Verder worden eerdere incidenten die in het logboek van school zijn opgenomen, betwist. Bij sommige van de incidenten was [leerling] helemaal niet aanwezig en bij andere incidenten was zijn aandeel minimaal. Verzoekers zijn zich bewust van de impact die racistische en discriminerende content op een docent kan hebben en zij vinden het heel erg wat [leerling] heeft gedaan. Maar verzoekers vinden dat de school niet heeft gemotiveerd waarom de veiligheid van de hele school zou zijn geraakt. Er is aan [leerling] of verzoekers ook geen mogelijkheid tot herstel geboden omdat het aan hen verboden is om met de docente in kwestie of met andere docenten contact te zoeken. Het ging juist heel goed met [leerling] in dit tweede schooljaar, hij had baat bij het doubleren en heeft vrienden gemaakt die hij nu erg mist. Verzoekers beroepen zich ook op het gelijkheidsbeginsel. Een andere leerling is verantwoordelijk voor een deel van de racistische content en die mag wel op school blijven. Tot slot vinden verzoekers het alternatief dat de school heeft geboden – een ander [middelbare school 2] dat 30 kilometer van de woning van vader is gelegen – niet passend.

Toetsingskader

7. In artikel 8.15, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) staat dat het bevoegd gezag een leerling van school kan verwijderen. Uit de wetsgeschiedenis bij dit artikel blijkt dat de leerling, om te kunnen worden verwijderd, door zijn wangedrag een ernstige bedreiging moet vormen voor de rust, orde of veiligheid binnen de school. Uit het gebruik van het woord “kan” in het eerste lid van artikel 8.15 volgt dat het gaat om een discretionaire bevoegdheid die door de rechter dus terughoudend moet worden getoetst. Het besluit moet wel evenredig zijn als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat houdt in dat het – belastende – besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig moet zijn.

Spoedeisend belang

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang uit de aard van het besluit volgt. [leerling] wil zo snel mogelijk terug naar school om daar weer toegang te krijgen tot het voor hem meest passende onderwijs en dat is alleen te bereiken met deze procedure.

Wat vindt de voorzieningenrechter van het bestreden besluit?

9.1.. Dat [leerling] filmpjes heeft gemaakt met GrokAI waarin zijn docente op een zeer racistische en discriminerende manier is afgebeeld, is niet in geschil. Van een deel van het beeldmateriaal (screenshots) staat vast dat [leerling] degene is die de betreffende filmpjes heeft gemaakt. Van een ander deel staat dat niet vast. Maar dat er alleen al op grond van het beeldmateriaal dat met zekerheid van [leerling] afkomstig is, alle reden was voor de school om een maatregel te treffen, staat voor de voorzieningenrechter buiten kijf – en is ook niet tussen partijen in geschil. Wel is in geschil of de school in redelijkheid heeft kunnen komen tot de zwaarst mogelijke maatregel: verwijdering. De voorzieningenrechter zal dat in het hiernavolgende toetsen.

Geschiktheid en noodzakelijkheid

9.2.. Voorop staat dat als de school zo’n zware, verstrekkende maatregel treft die grote gevolgen heeft voor een minderjarige leerling, zeer goed moet worden onderbouwd waarom juist die maatregel nodig is. De school moet goed duidelijk maken dat dit de juiste en enig mogelijke oplossing is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de school in dit geval niet heeft onderbouwd dat het nodig was om deze zwaarst mogelijke maatregel te treffen om het doel – het waarborgen van een veilige leer- en werkomgeving – te bereiken. Daartoe is het volgende van belang.

9.2.1.. Volgens de school was de maatregel noodzakelijk, omdat de aard van het beeldmateriaal en de circulatie ervan op een openbaar sociale mediaplatform hebben geleid tot acute en breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid onder het onderwijspersoneel. De voorzieningenrechter vindt het zeker voorstelbaar dat de filmpjes shockerend waren voor degenen die ze hebben gezien, en het is ook voorstelbaar dat ook anderen dan de bewuste docente er aanstoot aan hebben genomen of erdoor zijn gekwetst. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de school niet heeft onderbouwd dat sprake was van breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid bij het onderwijspersoneel, zodanig dat verwijdering van [leerling] daardoor noodzakelijk werd. Er zijn bijvoorbeeld geen verklaringen overgelegd waaruit dat blijkt. Wel is er één verklaring overgelegd van de conrector. Daarin wordt uiteengezet wat de impact van de filmpjes is geweest voor de betrokken docente die op de filmpjes is afgebeeld. Over breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid onder het onderwijspersoneel is in de verklaring niets vermeld. De rector heeft tijdens de zitting gezegd dat hij met de mentoren van alle brugklassen heeft overlegd, en dat er tijdens een studiemiddag met alle andere collega’s (inclusief het docententeam van [leerling's] klas) over is gesproken. Daaruit is volgens de rector naar voren gekomen dat geen van de mentoren het zag zitten om [leerling] nog in hun brugklas te hebben, en dat de andere docenten breed hebben aangegeven buikpijn te hebben van de situatie en ermee in de maag te zitten. Ook heeft de rector gezegd dat toen vanuit het docentenkorps de opmerking kwam dat men niet met de rug naar [leerling] voor de klas durfde te staan, uit vrees dat er dan filmpjes worden gemaakt of dat er “iets anders” gebeurt. Het is voor de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden wat dat “iets anders” dan is waarvoor zou worden gevreesd en waarom. Volgens de rector waren personeelsleden niet bereid om met naam en toenaam verklaringen af te leggen. Maar dat is ook niet vereist, verklaringen hadden immers ook met toepassing van artikel 8:29 van de Awb (onder geheimhouding) kunnen worden overgelegd. Nu dat niet is gebeurd, en ook niet op andere wijze een onderbouwing is gevolgd, kan de voorzieningenrechter niet zonder meer uitgaan van de stelling van de school dat er breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid onder het onderwijspersoneel heersen, zeker niet waar dat door [leerling's] ouders uitdrukkelijk is betwist. Volgens hen rijmt de stelling van de school in het geheel niet met hun en [leerling's] ervaringen met de docenten en de positieve commentaren in Magister (geciteerd in een verklaring van de ouders) die [leerling] in de loop der tijd, vooral in dit tweede brugklasjaar, heeft gekregen over zijn houding en gedrag.

9.2.2.. De voorzieningenrechter vindt ook niet dat de ernst van het gedrag maakt, dat de noodzaak van de maatregel een vanzelfsprekendheid is, als gevolg waarvan een nadere onderbouwing van de noodzakelijkheid niet meer nodig zou zijn. De school heeft in dit verband verwezen naar verschillende uitspraken van de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO) die volgens haar vergelijkbaar zijn met deze situatie.Wat de voorzieningenrechter constateert, is dat tegenover deze door de school genoemde uitspraken ook meerdere uitspraken van de GPO kunnen worden geplaatst waarin in eveneens meerdere of mindere mate vergelijkbare situaties is geoordeeld dat verwijderingnietnoodzakelijk was om de rust, orde en veiligheid te herstellen.De beoordeling is dus sterk casuïstisch en – vanzelfsprekend – van de omstandigheden afhankelijk en de verwijzing naar de GPO-uitspraken kan de school hier dan ook niet baten.

9.2.3.. De school heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet goed kunnen uitleggen waarom ten aanzien van de andere leerling die betrokken was bij dit incident, [leerling 2] , anders is gehandeld dan ten aanzien van [leerling] . [leerling 2] wordt niet verwijderd van school en heeft na het incident kunnen terugkeren naar school. Over deze leerling heeft de rector tijdens de zitting gezegd dat wordt verondersteld dat ook hij een deel van het racistische beeldmateriaal heeft vervaardigd, maar dat het bij hem niet vaststaat zoals dat bij [leerling] wel het geval is. Verder zou deze leerling in het aankomende schooljaar sowieso al naar een andere school gaan, en had de leerling geen voorgeschiedenis van incidenten zoals [leerling] die wel heeft. De voorzieningenrechter vindt dat hiermee niet duidelijk is geworden waarom de maatregel van verwijdering bij [leerling 2] niet, en bij [leerling] wel noodzakelijk was. Ouders hebben hier wat dat aangaat terecht de vraag gesteld waarom de aanwezigheid van [leerling 2] dan geen ‘breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid’ op school heeft veroorzaakt. Het feit dat [leerling 2] later de school zou verlaten, kan dat niet verklaren, omdat hij immers gedurende de rest van het huidige schooljaar nog wel op school aanwezig mocht zijn. Het feit dat bij hem niet 100% vaststond dat er beeldmateriaal door hem is vervaardigd en bij [leerling] – die dat heeft toegegeven – wel, kan ook niet als verklaring dienen, zeker niet daar waar volgens de rector wél wordt veronderstelddat [leerling 2] racistisch beeldmateriaal heeft vervaardigd. Maar ook omdat dat de vraag oproept in hoeverre de bekentenis van [leerling] in zoverre tot zijn nadeel zou strekken. De ernst van de incidenten die zijn opgetekend in het leerlingendossier tot slot is ook niet van dien aard dat daarmee het verschil in handelen ten aanzien van deze twee leerlingen kan worden verklaard. Dit nog los van het feit dat die incidenten door ouders en [leerling] gemotiveerd zijn betwist en de onderbouwing ervan door school summier is: gefragmenteerde aantekeningen in het logboek, waarbij niet altijd even duidelijk is omschreven wat er nu precies tussen wie is voorgevallen. Verder ontstijgt een niet onaanzienlijk deel van de incidenten het niveau van kattenkwaad niet. Dat betekent dat ook deze omstandigheid – het feit dat [leerling 2] niet is verwijderd – afdoet aan de geschiktheid en noodzakelijkheid van de maatregel.

9.2.4.. Bij dit alles komt dat [leerling] verschillende keren heeft aangeboden om aan de betrokken docente persoonlijk excuses te maken, maar dat hij die mogelijkheid niet heeft gekregen. De rector heeft hierover op de zitting gezegd dat de betrokken docente hier niet voor open stond. Zij wilde geen enkel contact met [leerling] en heeft bij de schoolleiding aangegeven geen les meer te willen geven als [leerling] naar school zou terugkeren. Toen door [leerling] en zijn ouders werd aangeboden om in plaats van een gesprek een brief te sturen, heeft de docente tegen de schoolleiding gezegd dat ze niet wist of ze die brief dan wel zou gaan lezen. De rector heeft tijdens de zitting gezegd dat hij de docente niet kan dwingen tot contact met [leerling] . Wat daarvan ook zij, vaststaat dat [leerling] heeft getracht om een begin te maken met herstel en dat dit door de school niet is gefaciliteerd. Ook aan ouders is, getuige een mail die door de rector aan hen is gestuurd, verzocht om alleen nog via de schoolleiding te communiceren en niet met individuele docenten. Dat laatste is op zichzelf zeker niet onbegrijpelijk, maar het kleurt naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel het beeld in dat ouders schetsen van een deur die al vroeg werd dichtgegooid en waar overleg of een gesprek niet meer mogelijk was. Dat ouders door hun opstelling ervoor hebben gezorgd dat er geen sprake meer is van samenwerking in een veilige en werkbare pedagogische driehoek, heeft de school gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt en blijkt ook uit geen enkel stuk in het dossier. Omgaan met ouders die in meer of mindere mate als “lastig” worden ervaren mag bovendien – uiteraard tot op zekere hoogte en tot aan redelijke grenzen – van een school worden verwacht (daargelaten of die kwalificatie hier op haar plaats is, wat geenszins vast is komen te staan). Dat die redelijke grenzen in dit geval zijn bereikt, is niet aannemelijk geworden. Ouders hebben desgevraagd verklaard nog altijd veel vertrouwen te hebben in de school, docenten en schoolleiding en de samenwerking aan te willen blijven gaan. Bij die stand van zaken had het op de weg van de school gelegen om beter en nader te onderbouwen dat samenwerking niet meer mogelijk was of is.

9.2.5.. De school heeft in het verweerschrift vermeld dat zij niet voorbij kan gaan aan dit incident zonder haar geloofwaardigheid en zorgplicht jegens het personeel aan te tasten. Dat de school hier zeker niet aan voorbij hoeft te gaan, heeft de voorzieningenrechter al in punt 9.1 van deze uitspraak bevestigd. Maar het gaat er zoals gezegd om of deze zwaarst mogelijke maatregel hier het juiste en enig mogelijke middel was. Dat dat zo is, heeft de school – zoals hierboven is geoordeeld – niet goed onderbouwd. Daarbij speelt tot slot ook een rol dat [leerling] niet eerder is geschorst, dat zich nooit eerder een soortgelijk incident van vergelijkbare ernst (of zelfs maar iets dat erbij in de buurt komt) heeft voorgedaan en dat deze verwijdering dus rauwelijks, dat wil zeggen direct, is opgelegd. Dat [leerling] wat dat betreft een gewaarschuwd persoon was, kan daarmee zeker niet worden gezegd.

Evenwichtigheid

9.3.. De voorzieningenrechter vindt de maatregel ook niet evenwichtig, omdat de school niet genoeg rekening gehouden heeft met [leerling's] belangen. Volgens de school worden die belangen ondervangen doordat [leerling] naar een andere passende school kan. Maar er is geen kenbare aandacht besteed aan het door [leerling] gestelde belang dat hij veel baat heeft bij het doubleren, dat hij in dit tweede brugklasjaar vrienden heeft gemaakt en dat hij, hoewel hij onderkent dat het moeilijk zal zijn om terug te keren, er alles aan wil doen om te laten zien wie hij is en zich van zijn beste kant te laten zien. Ook heeft de school geen kenbare aandacht besteed aan het feit dat [leerling] pas 13 jaar oud was tijdens het incident, een leeftijd waarop kinderen nog niet goed in staat zijn om alle gevolgen van hun handelen te overzien.Natuurlijk gaat wat [leerling] heeft gedaan, over alle grenzen van wat aanvaardbaar is en zelfs over de grenzen van wat strafbaar is, heen. Maar dat betekent niet dat het handelen helemaal los kan worden beschouwd van [leerling's] leeftijd, iets wat de school hier onmiskenbaar wel doet. Zeker in het licht van wat de voorzieningenrechter hierboven heeft overwogen over hoe [leerling] niet de ruimte heeft gekregen om persoonlijk excuses aan te bieden, vindt zij dat de school hierin een flinke steek heeft laten vallen.

9.4.. De conclusie is dat de school niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot verwijdering van [leerling] . Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus of om aan de school de opdracht te geven een nieuw besluit te nemen. Zij vindt namelijk dat het geconstateerde gebrek zich niet leent voor herstel, aan de ene kant omdat er niet is gebleken van bereidheid om een onderbouwing via verklaringen te bewerkstelligen en omdat zij vindt dat de maatregel rauwelijks is opgelegd, maar aan de andere kant ook om de verwijdering en de vergaande consequenties niet langer als een onzekere factor boven de markt te laten hangen. Beide partijen hebben nu belang bij duidelijkheid. De voorzieningenrechter voorziet daarom zelf in de zaak en herroept het (primaire) verwijderingsbesluit. Dat betekent dat [leerling] weer direct tot school moet worden toegelaten.

Tot slot: aan [leerling]

9.5.. De voorzieningenrechter vindt het heel belangrijk dat [leerling] kennis neemt van de volgende passage.

[leerling] , ik heb jouw ouders in deze uitspraak nu gelijk gegeven. Dat komt vooral doordat ik vind dat de school te snel voor deze zware maatregel heeft gekozen, en niet goed aan mij heeft kunnen uitleggen waarom dat nu (al) nodig was. Maar laat één ding duidelijk zijn. De school heeft groot gelijk als ze zegt dat wat jij hebt gedaan, volkomen onaanvaardbaar en zelfs strafbaar is. Met de filmpjes heb je niet alleen jouw docente, maar mogelijk ook anderen die de filmpjes hebben gezien en zich erdoor gekwetst voelen, beschadigd en echt pijn gedaan. Je ouders hebben gezegd dat je dat nooit zo bedoeld hebt. Dat je bent opgegroeid in een omgeving waarin racisme en discriminatie absoluut niet mogen en kunnen, en dat je vrienden hebt uit allerlei verschillende culturen. En dat je – toen je GrokAI de opdracht gaf om de filmpjes te maken – bent beïnvloed door kinderen uit hogere klassen en er zelf de ernst op dat moment niet van inzag. Laat dit een les voor je zijn [leerling] , een heel belangrijke les. Die ernst is er wél. Daarover valt echt niet te twisten. En je krijgt nu een kans, grijp die kans goed. Zorg dat het niet weer zo ver komt en laat, zoals je ouders zeiden tijdens de zitting, zien wie je echt bent. Laat in het nieuwe schooljaar je beste kant zien. Een volgende keer krijg je zo’n kans misschien niet meer.

Conclusie en gevolgen

10.1.. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Awb. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zelf een beslissing door het (primaire) verwijderingsbesluit te herroepen. Er is gelet hierop geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek wordt dus afgewezen.

10.2..

De school moet het griffierecht voor zowel het verzoek tot voorlopige voorziening als het beroep aan de ouders vergoeden en de ouders krijgen ook een proceskostenvergoeding. De school moet die vergoeding betalen. De vergoeding is

€ 2.802,– omdat de gemachtigde van verzoekers een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Om vergoeding van kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt, is pas bij deze voorlopige voorziening en niet al in de bezwaarfase verzocht, zodat die om die reden niet kunnen worden vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 3 juni 2026;

herroept het primaire besluit van 10 april 2026;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

bepaalt dat de school het griffierecht van € 400,– (2 x € 200,–) aan verzoekers moet terugbetalen;

veroordeelt de school in de betaling van de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 2.802,–.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. V. Vonk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ECLI:NL:RVS:2022:285, ECLI:NL:RVS:2022:334 en ECLI:NL:RVS:2022:335.

GPO 15 juni 2021, zaaknummer 3433 en GPO 25 januari 2021, zaaknummer 109579. Vgl. onder meer GPO 22 september 2023, zaaknummer 49347, en GPO 24 januari 2020, zaaknummer 109056; in dezelfde lijn de zaaknummers 67124, 45377, 43172, 40195, 38183, 29602, 26765, 17689 en 109668.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de GPO van 16 juni 2025, zaaknummer 110651, van 31 maart 2026, zaaknummer 130566 en van 24 maart 2026, zaaknummer 130055.

Vgl. ECLI:NL:RBNHO:2023:8961

Zie het Besluit proceskosten bestuursrecht, alle drie 1 punt waard, met een waarde van € 934,– per punt.

Weitere Entscheidungen