ECLI:NL:RBROT:2026:6826
Zusammenfassung
Civiel recht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714557 / HA ZA 26-126
Vonnis in incident van 10 juni 2026
in de zaak van
[curator],
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam hotel] ,
kantoorhoudend in [plaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. D.H. de Haan,
tegen
[persoon A],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. M.W. Huijzer.
Partijen worden hierna de curator en [persoon A] genoemd.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 22 januari 2026, met producties 1 tot en met 54;
de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van [persoon A] ;
de conclusie van antwoord naar aanleiding van de incidentele conclusie tot onbevoegdheid.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De vordering in de hoofdzaak
2.1..
De curator vordert in de hoofdzaak, verkort weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [persoon A] te veroordelen tot betaling van € 49.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
II. [persoon A] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2.. De curator legt hieraan, verkort weergegeven, ten grondslag dat het bedrag van € 49.500,00 onverschuldigd aan [persoon A] is betaald en daarom door hem moet worden terugbetaald.
2.3..
[persoon A] heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd in de hoofdzaak.
3. Het geschil in het incident
3.1..
[persoon A] vordert in het incident, verkort weergegeven, dat de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het geschil, met veroordeling van de curator, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.. De curator concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [persoon A] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.. De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.
4. De beoordeling
4.1.. Partijen twisten over de vraag of de rechtbank Rotterdam in de hoofdzaak bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de curator tegen [persoon A] . Volgens [persoon A] moet die vraag ontkennend worden beantwoord, omdat hij geen woonplaats heeft in een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente. Van een overeengekomen woonplaatskeuze (in de zin van artikel 1:15 BW) of van een exclusieve forumkeuze (in de zin van artikel 108 Rv) is volgens [persoon A] geen sprake. Volgens de curator is de rechtbank Rotterdam wel bevoegd, omdat [persoon A] woonplaats heeft gekozen in Papendrecht en dus binnen het arrondissement van de rechtbank Rotterdam (locatie Dordrecht).
4.2.. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
Het wettelijk kader
4.3.. In artikel 99 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd is, tenzij de wet anders bepaalt.
4.4.. Artikel 1:10 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te zijner woonstede. Artikel 1:15 BW bepaalt dat een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke woonplaats slechts kan kiezen, als de wet hem daartoe verplicht, of wanneer die keuze bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is.
Rechtbank Rotterdam is relatief bevoegd
4.5.. Er is in dit geval geen sprake van een uit de wet voortvloeiende, van de hoofdregel van artikel 99 Rv afwijkende bevoegdheidsbepaling. De bevoegde rechter is in beginsel dus de rechter van de woonplaats van [persoon A] . [persoon A] heeft geen woonplaats in een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente.
4.6.. De rechtbank Rotterdam zou desalniettemin relatief bevoegd zijn als [persoon A] een vrijwillige woonplaatskeuze in de zin van artikel 1:15 BW heeft gemaakt voor een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente. Uit artikel 1:15 BW volgt dat voor een rechtsgeldige, vrijwillige woonplaatskeuze het volgende nodig is:
De woonplaatskeuze moet geschieden bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane overeenkomst.
De woonplaatskeuze kan slechts plaatsvinden voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen.
Voor de gekozen woonplaats moet een redelijk belang aanwezig zijn.
4.7.. De curator leidt uit een aan hem gezonden brief van mr. Huijzer, ook toen al de advocaat van [persoon A] , van 21 juli 2025 af dat [persoon A] in dit geval woonplaats heeft gekozen in Papendrecht. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
“ (…) Uw opmerking dat - bij gebreke van betaling of ontvangst van een passend voorstel - een procedure in zicht komt, maakt dat niet anders. Een eventuele procedure wordt met vertrouwen tegemoet gezien. U kunt zo nodig de dagvaarding op mijn kantooradres betekenen; cliënt kiest aldaar uitdrukkelijk domicilie. Ik ga er echter van uit dat het zo ver niet behoeft te komen en het boek hiermee gesloten kan worden. (…)”
4.8.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze brief volgt dat [persoon A] met de curator is overeengekomen dat hij voor het voeren van de onderhavige procedure woonplaats kiest op het kantoor van zijn advocaat in Papendrecht. Dat staat in voldoende duidelijke bewoordingen in de brief en de curator heeft dat ook zo mogen begrijpen. Aan de hiervoor vermelde vereisten is voldaan: de woonplaatskeuze is schriftelijk gemaakt en door de curator aanvaard, is bedoeld voor deze procedure (die al door de curator was aangekondigd) en er is een redelijk belang aanwezig voor zowel [persoon A] als de curator. Dat de curator pas een half jaar later tot dagvaarding is overgegaan betekent, anders dan [persoon A] lijkt te betogen, niet dat hij zich niet (meer) op de woonplaatskeuze mocht beroepen.
4.9..
[persoon A] stelt zich op het standpunt dat het bieden van een praktische manier voor het betekenen van de dagvaarding (namelijk op het kantooradres van de behandelend advocaat) nog geen woonplaats- of forumkeuze impliceert. De rechtbank acht dat standpunt in beginsel juist. In dit geval is in de brief echter niet slechts aangegeven dat de dagvaarding op het kantooradres van de advocaat betekend kon worden, maar is daaraan toegevoegd dat [persoon A] op dat adres uitdrukkelijk domicilie kiest. Dat die woonplaatskeuze uitsluitend betrekking zou hebben op het betekenen van de dagvaarding (en niet ook op het voeren van de procedure) kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet uit de brief worden afgeleid. Voldaan is dan ook aan de vereisten van artikel 1:15 BW.
4.10.. Als een gedaagde overeenkomstig artikel 1:15 BW woonplaats heeft gekozen, dan is ingevolge artikel 99 lid 1 Rv de rechter van de gekozen woonplaats relatief bevoegd om van de zaak kennis te nemen. [persoon A] stelt dat vaste rechtspraak en literatuur bevestigen dat een domiciliekeuze geen invloed heeft op de relatieve bevoegdheid van de rechter, maar de rechtbank volgt hem daarin gelet op het voorgaande niet. Die conclusie kan ook niet worden getrokken uit de door [persoon A] genoemde rechtspraaken literatuur.
4.11.. Voor zover [persoon A] nog heeft opgemerkt dat in de dagvaarding (randnummer 102) ten onrechte is vermeld dat de advocaat van [persoon A] kantoor houdt in Barendrecht (in plaats van Papendrecht), gaat de rechtbank daaraan voorbij. Sprake lijkt te zijn van een verschrijving. Op de eerste pagina van de dagvaarding is vermeld dat [persoon A] woonplaats heeft gekozen op het kantoor van zijn advocaat in Papendrecht en de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, is gebaseerd op die gemeente.
4.12.. Conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De incidentele vordering van [persoon A] zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
4.13..
[persoon A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
4.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.15.. De veroordeling in de proceskosten wordt, zoals onweersproken gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. De beslissing
De rechtbank
in het incident
5.1.. wijst de incidentele vordering af,
5.2.. veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.. veroordeelt [persoon A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.5.. verwijst de zaak naar de rol van 22 juli 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van [persoon A] ,
5.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 1977/3669
Zie onder andere GS Personen- en familierecht, art. 1:15 BW, aant. 4, T&C BW, commentaar op art. 1:15 BW, aant. 1 en de conclusie van AG De Bock van 9 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:484 (4.13).
Rechtbank Noord-Nederland 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3445.
[persoon A] verwijst naar “Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen 1, nr. 56”. Deze verwijzing lijkt niet te kloppen.