ECLI:NL:RBROT:2026:7383
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/4477 en ROT 25/4522
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaken tussen
[eiser], uit [plaatsnaam], eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Capelle aan den IJssel
(gemachtigde: [naam 1]).
Samenvatting
1. Eiser en de heffingsambtenaar hebben voor het belastingjaar 2023 een compromis bereikt over de WOZ-waarde, maar eiser vindt dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelt anders. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt de WOZ-waarde vast conform het compromis. Het beroep van eiser tegen de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2025 is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 31 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 633.000,- op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
2.1.. Met besluit van 27 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning voor het belastingjaar 2025 vastgesteld op € 610.000,- op grond van de Wet WOZ.
2.2.. Met de uitspraken op bezwaar van 18 mei 2023 en 30 april 2025 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 31 januari 2023 en 27 januari 2025 ongegrond verklaard.
2.3.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 18 mei 2023 (ROT 23/4477) en de uitspraak op bezwaar van 30 april 2025 (ROT 25/4522).
2.4.. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 4 juni 2026 gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [naam 2], taxateur.
Beoordeling door de rechtbank
ROT 23/4477
3. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 te hoog is vastgesteld en € 564.000,- zou moeten bedragen. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 18 mei 2023 daarom vernietigen, de waarde van de woning op dat bedrag vaststellen en de aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig verminderen.
4. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar van 18 mei 2023 ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Dat eiser zich heeft laten bijstaan door een deskundige, blijkt uit de kwaliteit van zijn stukken en uit het feit dat de heffingsambtenaar hem uiteindelijk in het gelijk heeft gesteld. Eiser heeft ook zelf tijd en moeite gestoken in de bezwaarprocedure, die hij moest beginnen door een fout van de heffingsambtenaar. De wetgever heeft bedoeld dat ook eiser zelf recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat in artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ is bepaald dat dergelijke vergoedingen uitsluitend moeten worden uitbetaald op een bankrekening van de belanghebbende. De heffingsambtenaar had eiser erop moeten wijzen dat hij een verzoek tot vergoeding van de proceskosten had kunnen doen.4.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.Een veroordeling in de kosten kan uitsluitend betrekking hebben op de kosten die zijn genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
4.2..
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding aan eiser toegekend. Eiser heeft in bezwaar niet om een dergelijke vergoeding verzocht. Van een beroepsmatige rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij zijn klant informeert over de mogelijkheid tot een proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar was daarom niet verplicht eiser op die mogelijkheid te wijzen. Bovendien geldt dat, zelfs als eiser wel een dergelijk verzoek zou hebben gedaan, het niet aannemelijk is dat eiser daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het eerst op de zitting heeft eiser gesteld dat hij € 300,- zou hebben betaald aan ene [naam 3]. Eiser heeft geen factuur van of overeenkomst met [naam 3] overgelegd. Eiser heeft geweigerd de vraag van de rechtbank naar het beroep van [naam 3] te beantwoorden. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat [naam 3] beroepsmatig rechtsbijstand verleent. De kwaliteit van de processtukken is niet zodanig dat het niet anders kan dat [naam 3] beroepsmatig rechtsbijstand aan eiser heeft verleend. Dat eiser en de heffingsambtenaar overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning, leidt evenmin tot die conclusie. Anders dan eiser betoogt, volgt uit artikel 30a van de Wet WOZ niet dat eiser zelf recht heeft op een proceskostenvergoeding. De beroepsgrond slaagt niet.
ROT 25/4522
5. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning voor het belastingjaar 2025 onjuist heeft vastgesteld. Het is niet logisch dat de waarde in 2025 lager is dan in 2023.
5.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend.Deze waarde is gelijk aan de prijs die de meestbiedende koper zou betalen bij een verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De heffingsambtenaar heeft de woning vergeleken met [adres 2], [adres 3] en [adres 4]. Deze objecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat zij op de belangrijkste waardebepalende kenmerken zoals woningtype, ligging en bouwjaar voldoende vergelijkbaar zijn met de woning.
5.3.. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Op de zitting heeft eiser onderkend dat als de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 wordt aangepast naar € 564.000,-, er sprake is van een logische opbouw van de WOZ-waarden. Hij heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij het in dat geval eens is met de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde voor het belastingjaar 2025. De rechtbank laat de overige argumenten van eiser daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep in zaak ROT 23/4477 is gegrond, omdat de uitspraak op bezwaar van 18 mei 2023 in strijd is met artikel 17 van de Wet WOZ. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 wordt vastgesteld op € 564.000,- en de aanslag onroerendezaakbelasting overeenkomstig wordt verminderd.Het beroep in de zaak ROT 25/4522 is ongegrond.
7. Omdat het beroep in de zaak ROT 23/4477 gegrond is, moet de heffingsambtenaar het in die zaak betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. In de zaak ROT 25/4522 krijgt eiser het griffierecht niet terug.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder 4.2 is overwogen.Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep in zaak ROT 23/4477 gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 18 mei 2023;
vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 tot een bedrag van € 564.000,-;
vermindert de voor de woning opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het belastingjaar 2023 tot een aanslag berekend naar een waarde van € 564.000,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de uitspraak op bezwaar van 18 mei 2023;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
verklaart het beroep in zaak ROT 25/4522 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb.
Artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ.
Kamerstukken II1992/93, 22885, nr. 3, p. 44.
HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.