ECLI:NL:RBROT:2026:7445
Zusammenfassung
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11809129 CV EXPL 25-16089
datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.A.M. van de Sande,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. V.J. Verhulst.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.
1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 16 juli 2025, met bijlagen;
het antwoord;
de mail van [eiseres] van 19 mei 2026.
1.2.. Op 19 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij is [gedaagde 2] verschenen met [persoon A] , bijgestaan door haar gemachtigde. [eiseres] is niet verschenen.
2. De beoordeling
Wat is de kern?
2.1..
[eiseres] wil de woning die wordt gehuurd door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] renoveren. De fundering moet worden hersteld en onder andere de kozijnen, de daken en de technische installaties bevinden zich aan het einde van de levensduur. In totaal gaat het om bijna € 440.000,00 aan renovatiewerkzaamheden. [eiseres] geeft aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning tijdens de renovatie niet kunnen gebruiken en geven aan dat de huurinkomsten de huidige en toekomstige exploitatiekosten niet dekken. [eiseres] heeft de woning nodig voor eigen gebruik en heeft daarom de huurovereenkomst opgezegd. In deze procedure eist zij dat de kantonrechter bevestigt dat de huurovereenkomst op 1 oktober 2025 eindigt of een einddatum vaststelt. Daarnaast eist [eiseres] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning verlaten onder verbeurte van een dwangsom als zij dit niet doen en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld in de proceskosten.
2.2..
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het niet eens met de opzegging. Zij vinden dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de renovatiewerkzaamheden dringend zijn en nu moeten plaatsvinden. Daarnaast vinden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de werkzaamheden kunnen plaatsvinden terwijl zij in de woning blijven wonen. Verder beargumenteren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij meer belang hebben bij de woning dan [eiseres] heeft bij de renovatie van de woning. Tot slot betwisten zij dat passende woonruimte beschikbaar is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vragen de kantonrechter dan ook de vorderingen af te wijzen en [eiseres] in de proceskosten te veroordelen.
2.3..
[eiseres] heeft vervolgens vlak voor de zitting haar vorderingen ingetrokken en verzocht de procedure door te halen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hiermee niet ingestemd. De kantonrechter zal daarom een oordeel geven over de proceskosten.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.4.. Op grond van artikel 246 lid 1 Rv kan doorhaling van de procedure alleen plaatsvinden op verzoek van beide partijen. Nu daarvan geen sprake is, is doorhaling niet mogelijk.
2.5.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij na intrekking van haar vordering als de in het ongelijk gestelde partij wordt aangemerkt (artikel 237 Rv). Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al een conclusie van antwoord hebben ingediend en de vordering enkele uren voor de zitting pas is ingetrokken, worden de proceskosten aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als volgt berekend: € 576,00 (2 punten x € 288,00) aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 720,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.6.. Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat eisen en [eiseres] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.. verstaat dat [eiseres] haar vorderingen op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet langer handhaaft;
3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op € 720,00;
3.3.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.