ECLI:NL:RBROT:2026:7704
Zusammenfassung
Bestuursrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3326
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , uit [woonplaats 1] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland, het college
(gemachtigden: mr. K. Kamila Kozlowska en mr. B.V. Hendriks).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] en [naam 3] uit [woonplaats 2] (vergunninghouders).
Procesverloop
1. Met het besluit van 2 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouders voor de legalisatie van een overkapping met zonnepanelen op het dak van de overkapping in de achtertuin behorende bij de woning van vergunninghouders aan [straatnaam] in [woonplaats 2] (het perceel).Verzoekster woont naast vergunninghouders en heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd.
1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van het college en vergunninghouders.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat de zaak over?
2. Vergunninghouders hebben de overkapping in hun tuin gebouwd. Daarbij zijn ook de palen waaraan ook de schutting van verzoekster is verbonden vervangen door nieuwe palen. Zowel de schutting van verzoekster als de schutting en een deel van de overkapping van vergunninghouders zijn bevestigd aan deze nieuwe palen. Verzoekster heeft het college om handhaving verzocht en naar aanleiding van het constateringsrapport van 4 augustus 2025 hebben vergunninghouders een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen (legaliseren) van de overkapping gedaan. Het college heeft de vergunning met het bestreden besluit verleend. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Zij stelt dat de overkapping over de erfgrens is gebouwd. Ook stelt ze dat de overkapping in strijd is met het omgevingsplan.
Is er sprake van spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vaststaat vast dat de overkapping met zonnepanelen reeds is gebouwd. Niet gebleken is van enige onomkeerbare situatie als er geen voorziening wordt getroffen. De op zitting gegeven onderbouwing van verzoekster dat de schutting op instorten staat, voor zover dit al door de overkapping komt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Ook het betoog van verzoekster dat zij spoedeisend belang heeft bij een uitspraak door de voorzieningenrechter omdat het bestreden besluit evident onrechtmatig is nu er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering, slaagt niet. Hoewel verzoekster een grensreconstructierapport van het Kadaster heeft overgelegd, is de burgerlijke rechter de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De burgerlijke rechter heeft zich echter nog niet uitgelaten over deze kwestie. Daarbij merkt de voorzieningenrechter bovendien op dat in het geval de burgerlijke rechter zich wel heeft uitgelaten over de kwestie spoedeisendheid en evidente onrechtmatigheid ook nog geen gegeven is. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat het college, gelet op het limitatief-imperatief stelsel, de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’ moet verlenen wanneer het bouwplan niet in strijd is met de voorwaarden die daaraan zijn gesteld in het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.18, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.29 van het omgevingsplan en artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ten slotte kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopige voorziening treffen hangende de bodemprocedure en geen eindoordeel geven. Dat verzoekster het bestreden besluit door een onafhankelijke partij wil laten beoordelen maakt dan ook evenmin dat er spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is.
Conclusie
4. Er is geen sprake is van een spoedeisend belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ook is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het bestreden besluit (evident) onrechtmatig is, wat een aanleiding had kunnen zijn om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.