ECLI:NL:RBROT:2026:7840
Zusammenfassung
Bestuursrecht
Uitspraak
Dordrecht
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/7602 en ROT 24/7603
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen
[naam 1] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht
(gemachtigde: mr. R.H. Kastelein).
Procesverloop
1.1.. Met de beschikking van 31 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [straatnaam] in [locatie 1] (de woning) per de waardepeildatum van 1 januari 2023 vastgesteld op € 195.000,- op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag onroerendezaakbelasting voor het belastingjaar 2024 opgelegd.
1.2.. Met de beschikking van 30 april 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser voor het belastingjaar 2024 een aanslag riool- en afvalstoffenheffing opgelegd.
1.3.. Met de uitspraak op bezwaar van 25 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 31 mei 2024 ongegrond verklaard.
1.4.. Met de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 30 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.. Eiser heeft beroepen ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 25 juni 2024 (ROT 24/7602) en de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 (ROT 24/7603).
1.6.. De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op de zitting van 20 mei 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [naam 2] , taxateur.
Feiten
2. Eiser is eigenaar van de woning [straatnaam] in [locatie 1] . Het is een hoekwoning met een woonoppervlakte van 52 m² en een grondoppervlakte van 189 m². De woning beschikt over een berging/schuur. Het bouwjaar is 1977.
Beoordeling door de rechtbank
WOZ-waarde (ROT 24/7602)
3. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Volgens eiser bedraagt de waarde van de woning € 185.000,-. De door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn van een andere prijsklasse en qua woonoppervlakte niet vergelijkbaar met zijn woning. Daarnaast is de taxateur die de WOZ-waarde van de woning heeft vastgesteld bij de gemeente in dienst, zodat sprake is van belangenverstrengeling. Er is nooit een taxateur bij eiser thuis geweest. Het opgestelde taxatierapport voor het belastingjaar 2024 is hetzelfde als het taxatierapport voor het belastingjaar 2022. Dat de gemeente het tarief van de onroerendezaakbelasting zelf mag bepalen, is in strijd is met de wet. Bovendien wordt de straat van eiser niet goed schoongemaakt, terwijl de opbrengsten van de onroerendezaakbelastingen daar wel aan zou moeten worden besteed.
3.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend.Deze waarde is gelijk aan de prijs die de meestbiedende koper zou betalen bij een verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
3.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De heffingsambtenaar heeft in beroep de woning vergeleken met vijf vergelijkingsobjecten, namelijk [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 4] in [locatie 1] . De vergelijkingsobjecten zijn gelegen in dezelfde wijk als de woning en hebben een vergelijkbaar bouwjaar. Net als de woning hebben de vergelijkingsobjecten een relatief kleinere woonoppervlakte en een relatief grotere perceeloppervlakte. De vergelijkingsobjecten zijn daarom bruikbaar bij de waardering. Anders dan eiser betoogt, hoeven de vergelijkingsobjecten niet identiek te zijn aan de te waarderen woning. Uit de taxatiematrix blijkt dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, zowel wat betreft de ondergemiddelde voorzieningen en staat van onderhoud van de woning als de verschillen in woon- en perceeloppervlakte tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Voor zover het perceel van de woning groter is dan de gemiddelde perceeloppervlakte van de vergelijkingsobjecten, heeft de heffingsambtenaar daaraan geen waarde toegekend.3.3.. Wat eiser verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De heffingsambtenaar is niet verplicht een inpandige opname van de woning van eiser te doen. Dat de taxateur van de heffingsambtenaar in dienst is van de gemeente Dordrecht, doet geen afbreuk aan de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, omdat het taxatierapport inzichtelijk en transparant de waarde van de woning onderbouwt. De heffingsambtenaar heeft betwist dat het taxatierapport voor het belastingjaar 2024 gelijk is aan dat van 2022. Eiser heeft het taxatierapport voor het belastingjaar 2022 niet overgelegd, zodat de rechtbank de stelling van eiser niet kan controleren. De gemeenteraad is bevoegd het tarief van de onroerendezaakbelasting vast te stellen.Anders dan bij de heffing van gemeentelijke rechten, zoals bedrijfsreinigingsrechten, is de gemeente Dordrecht geen tegenprestatie verschuldigd voor de onroerendezaakbelasting.Dat de straat van eiser volgens hem niet schoon genoeg is, tast de bevoegdheid van de heffingsambtenaar om een aanslag onroerendezaakbelasting op te leggen dus niet aan.
3.4..
Op verzoek van eiser overweegt de rechtbank ter voorlichting als volgt. Het staat iemand die het niet eens is met de WOZ-waarde van zijn woning vrij om op eigen kosten een taxatie van de woning te laten verrichten. Als de rechtbank in beroep tot het oordeel komt dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, dan kan de rechtbank bepalen dat de heffingsambtenaar de taxatiekosten geheel of gedeeltelijk moet vergoeden. Daarbij past de rechtbank het Besluit proceskosten bestuursrecht toe. Aanslag riool- en afvalstoffenheffing (ROT 24/7603)
4. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij de aanslag riool- en afvalstoffenheffing, met dagtekening 30 april 2024, gelijktijdig heeft ontvangen met de aanslag onroerendezaakbelasting, met dagtekening 31 mei 2024. Eiser heeft vervolgens tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt op 12 juni 2024. Verder is eiser het er niet mee eens dat hij zowel rioolheffing betaalt als eigenaar en als gebruiker van de woning.
4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar heeft geen verzendadministratie overgelegd van de aanslag riool- en afvalstoffenheffing. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser die aanslag inderdaad gelijktijdig heeft ontvangen met de aanslag onroerendezaakbelasting. Dat betekent dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing. Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 zal worden vernietigd.
4.2.. Eiser heeft de rechtbank verzocht een inhoudelijk oordeel te geven over de zaak.De rechtbank verwijst de zaak daarom niet terug naar de heffingsambtenaar, maar zal zelf in de zaak voorzien.4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een aanslag rioolheffing eigenaren en een aanslag rioolheffing gebruikers aan eiser opgelegd. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet mogen twee soorten rioolheffing worden geheven, ter zake van, kort gezegd, huishoudelijk afvalwater en afvloeiend hemelwater. Op grond van artikel 3 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024 van de gemeente Dordrecht wordt de rioolheffing inzake huishoudelijk afvalwater geheven van eigenaren van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Op grond van dezelfde bepaling wordt de rioolheffing inzake afvloeiend hemelwater geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Eiser is eigenaar en gebruiker van het perceel. Hij heeft niet betwist dat zijn perceel is aangesloten op de gemeentelijke riolering en dat vanuit zijn perceel water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. De aanslagen zijn daarom terecht opgelegd.
4.4.. Het voorgaande betekent dat het bezwaar van eiser tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing ongegrond moet worden verklaard. Conclusie en gevolgen
5. Het beroep in de zaak ROT 24/7602 is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde hetzelfde blijft. Eiser krijgt het griffierecht in deze zaak niet terug.
6. Het beroep in de zaak ROT 24/7603 is gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 vernietigen. De heffingsambtenaar moet in deze zaak het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Dat betekent dat de aanslag riool- en afvalstoffenheffing in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep in de zaak ROT 24/7602 ongegrond;
verklaart het beroep in de zaak ROT 24/7603 gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024;
verklaart het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 30 april 2024 ongegrond;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ.
Kamerstukken II1992/93, 22885, nr. 3, p. 44.
HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.
Artikel 220f, eerste lid, van de Gemeentewet.
Vgl. artikel 229 van de Gemeentewet.
Vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330.