Skip to main content

ECLI:NL:RBROT:2026:7857

Gericht

Rotterdam

Datum

25 June 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Strafrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Rotterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.206717.25

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Datum zitting: 11 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

Advocaat van de verdachte: mr. H.W. Leemans

Officier van justitie: mr. N. Daalder

Advocaat van het slachtoffer: mr. R.S.M. van der Leij

Kern van het vonnis

De verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen op een kruising binnen de bebouwde kom bij het rechtsaf slaan, het slachtoffer dat zich op de fiets naast de vrachtwagen bevond, niet opgemerkt. Als gevolg hiervan is zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer ontstaan. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW, in die zin dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.1. Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging houdt in dat

primair

hij op of omstreeks 29 november 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en/of de Molenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te gedragen, bestaande dat gedrag hieruit:

  • verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en/of

  • verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en/of (langere tijd) tot stilstand gehouden en/of heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en/of rechtsaf gereden en/of

  • verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en/of rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en/of voldoende van vergewist en/of is zich er gedurende het vooruit en/of rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en/of naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en/of

  • verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en/of is (vervolgens) tegen die fietser aangebotst en/of aangereden en/of

  • ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden en/of

  • terwijl een of meerdere spiegels van de vrachtwagen niet goed waren afgesteld en/of waarbij het zicht van die spiegels werd gehinderd door een of meer gordijnen en/of vervuiling,

waardoor een ander (zijnde die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 29 november 2024 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmee rijdende op de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en/of de Molenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, bestaande dat gedrag hieruit:

  • verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en/of

  • verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en/of (langere tijd) tot stilstand gehouden en/of heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en/of rechtsaf gereden en/of

  • verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en/of rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en/of voldoende van vergewist en/of is zich er gedurende het vooruit en/of rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en/of naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en/of

  • verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en/of is (vervolgens) tegen die fietser aangebotst en/of aangereden en/of

  • ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden en/of

  • terwijl een of meerdere spiegels van de vrachtwagen niet goed waren afgesteld en/of waarbij het zicht van die spiegels werd gehinderd door een of meer gordijnen en/of vervuiling.2. Bewijs2.1..

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit, in die zin dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.2.2..

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit en heeft zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1..

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 29 november 2024 reed ik over de Burgemeester F.H. van Kempensingel in Rotterdam in een vrachtwagencombinatie. Een stuk voor de kruising met de Molenlaan had ik [slachtoffer] zien fietsen vanuit een zijstraat. Ik stond bij de kruising links voorgesorteerd om rechtsaf te kunnen slaan. Ik was half ingedraaid en had al rechts ingestuurd. Ik zag een verbodsbord voor vrachtwagens en ben gestopt. Ik reed een klein stukje naar achteren en wilde linksaf slaan. Ik heb [slachtoffer] niet gezien.

2. Proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongevalDit onderzoek vond plaats naar aanleiding van een verkeersongeval op 29 november 2024 omstreeks 08:03 uur. Het ongeval had plaatsgevonden op het kruispunt Burgemeester F.H. van Kempensingel/Molenlaan, gelegen binnen de bebouwde kom van Rotterdam. De rijbaan in de richting van de Molenlaan bestond tot ongeveer 62 meter voor het kruispunt met de Molenlaan uit één rijstrook. Daarna was de rijbaan verdeeld in 2 voorsorteerstroken; één voor naar linksafslaand verkeerd en één voor rechtsafslaand verkeer. Op de Burgemeester F.H. van Kempensingel was geen fietsstrook of fietspad aanwezig.

Aangezien het ongeval omstreeks 08:03 uur had plaatsgevonden en de zonsopkomst die dag om 08:23 uur was, vond het ongeval plaats tijdens schemer.

Bij het ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

  • Een bedrijfsauto (trekker) en oplegger, fabrieksmerk Daf, met kenteken [kentekennummer] ;

  • Een fiets van het merk Batavus.

Interpretatie van sporen op de weg en aan de voertuigen

Gelet op de plaats waar wij de eerste krassporen aantroffen, voorbij het kruisende fietspad van de Molenlaan, was het aannemelijk dat de bestuurder van de Batavus voornemens was rechtdoor de Molenlaan over te steken. Gelet op de sporen was de Daf met de rechterzijde tegen de Batavus aangebotst terwijl de Batavus zich rechts naast de Daf bevond. Gelet op de sporen was de Daf met het rechtervoorwiel over de Batavus gereden terwijl de Daf rechtsaf sloeg. Gelet op de Batavus die vóór de voorzijde van de Daf op de weg was gepositioneerd, was de Daf na de botsing met de Batavus, waarbij de Daf over de Batavus was gereden, achteruitgereden waarbij de Daf waarschijnlijk nogmaals over de Batavus heen reed.

Deelonderzoek Tachograaf

Er kon worden gesteld dat de Daf omstreeks 08:01:09 uur aankwam bij het kruispunt. De Daf stond gedurende 24 seconden stil en reed vervolgens vooruit over een afstand van ongeveer 8 meter. De Daf had vervolgens, na ongeveer 2 seconden te hebben stilgestaan, over een afstand van ongeveer 5 meter achteruit gereden. De Batavus passeerde de Daf over de gehele lengte terwijl de Daf reeds stilstond.

Conclusie gemeten gezichtsveldenonderzoek

Uit onderzoek blijkt dat de Batavus en zijn bestuurder op elk moment dat deze zich naast de Daf bevond, zichtbaar is geweest in één van de spiegels.

3. FARR-verklaring [slachtoffer] van 17 april 2025Informatie ontvangen van deafdeling Traumachirurgie van het Erasmus MCbetreffende de opname van 29 november tot en met 12 december 2024.

Op 29 november 2024 was sprake van:

a. Afstroping van de huid van het rechter bovenbeen, het been werd geopereerd;

b. In de bekken bevonden zich drie breuken, links in het darmbeen en beiderzijds in het schaambeen;

c. Er werd schade gezien aan een aftakking van de linker bekkenslagader waardoor actief bloedverlies in het kleine bekken;

d. Er werd schade gezien aan de urine buis in de penis, er werd een urine katheter geplaatst;

e. Er werd een afscheuringsbreuk gezien aan de rechter enkel, er werd onderbeengips aangelegd.

Op basis van een ongecompliceerd beloop betreft de geschatte genezingsduur:

a. Afstropingsletsel: 2 à 3 weken. Bij ontslag naar het revalidatiecentrum was de verwonding aan het rechterbeen gesloten en was er sprake van een litteken, waarschijnlijk permanent zichtbaar;

b. Diverse bekkenfracturen: 6 weken tot 3 maanden met noodzaak tot fysiotherapie;

c. Letsel aan een aftakking van bekkenslagader: genezen ten tijde van ontslag;

d. Verwonding urinebuis: minimaal 1,5 maand waarbij noodzaak tot plaatsen van katheter in de buikwand.

e. Afscheuringsbreuk enkel: tot 4 weken.

Informatie ontvangen van afdeling Urologie van het Wilhelmina kinderziekenhuisbetreffende een consult, telefonisch contact en een opname van 28 tot 29 maart 2025.

Radiologisch onderzoek van de urinewegen toonde een niet doorgankelijke urinebuis van de blaas tot halverwege de penis. Het letsel is na vier maanden nog niet hersteld. Betrokkene kan niet normaal plassen, maar is afhankelijk van een katheter in zijn buikwand. Er bestaat kans op herstel van de normale plasfuncties, maar hier is nog geen zicht op en de eventuele operatie kan permanente gevolgen hebben.2.3.2..

Bewijsmotivering

Zoals volgt uit de bewijsmiddelen, heeft in de ochtend van 29 november 2024 op een kruising in Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte heeft met een door hem bestuurde vrachtauto met oplegger een fietser, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), aangereden. De verdachte heeft het slachtoffer, dat zich rechts naast de vrachtwagen bevond, niet gezien toen hij naar rechts instuurde. Het slachtoffer is ten val gekomen en met zijn fiets onder de vrachtwagen terechtgekomen en heeft hierdoor letsel opgelopen.

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW)?

Om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit te komen, moet de verdachte schuld hebben in de zin van artikel 6 WVW. Of dat het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid. Een tijdelijk moment van onoplettendheid of een enkele verkeersfout zonder bijkomende bijzondere omstandigheden zijn onvoldoende voor het aannemen voor schuld.

Omstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond

Het verkeersongeval vond plaats omstreeks 08:03 uur op een vrijdag in november in een woonwijk binnen de bebouwde kom van Rotterdam. Dat betekent dat het op dat moment schemerde en dat sprake was van ochtenddrukte door woon-werkverkeer. De verdachte wilde met de door hem bestuurde vrachtwagen rechtsaf slaan op de kruising van de F.H. van Kempensingel met de Molenlaan. Hij stond echter voorgesorteerd op de rijstrook voor linksafslaand verkeer op de F.H. van Kempensingel, naar eigen zeggen omdat hij anders met de vrachtwagencombinatie de bocht naar rechts niet zou kunnen maken. Hierdoor kon bij andere weggebruikers de indruk ontstaan dat de vrachtwagen linksaf zou slaan en werd daarbij ook de mogelijkheid aan andere weggebruikers gegeven om zich in de vrije ruimte op de rechterrijstrook op te stellen om de Molenlaan op te rijden. Voordat de verdachte afsloeg, stond hij 24 seconden stil op de kruising en in die tijd is het fietsende slachtoffer de vrachtwagen aan de rechterzijde gepasseerd en stil gaan staan op de rechterrijstrook. De verdachte sloeg rechtsaf en is toen tegen het slachtoffer aangereden. Na een paar seconden te hebben stilgestaan, is hij achteruit gereden waarna hij het slachtoffer nogmaals heeft geraakt.

De verdachte heeft verklaard dat hij de ochtend van het ongeval zijn spiegels had gecontroleerd, maar dat hij het slachtoffer desondanks niet heeft gezien. Volgens de verdachte heeft het slachtoffer in zijn dode hoek gezeten. Uit de verkeersongevallenanalyse volgt echter dat het slachtoffer in de spiegels van de vrachtwagen op elk moment zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, waardoor de rechtbank die conclusie van de verdachte verwerpt. Ook het verweer van de verdediging dat de verkeersongevallenanalyse niet bruikbaar is omdat daarin een verkeerde positionering van de vrachtwagen als uitgangspunt zou zijn genomen, wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het gezichtsveldenonderzoek in de verkeersongevallenanalyse dat de verdachte via zijn spiegels goed zicht had op de rijstrook naast de vrachtwagen en de stoep daarnaast. Ook als de positie van de vrachtwagen in werkelijkheid verder naar links zou zijn geweest dan in de analyse (wat de rechtbank niet kan vaststellen), moet het slachtoffer zichtbaar zijn geweest in de spiegels. De zichtbaarheid van het slachtoffer werd bovendien vergroot doordat hij een gele fietshelm droeg en een oranje vlaggetje aan zijn fiets had.

Van een ervaren beroepschauffeur als verdachte mag verwacht worden dat hij extra voorzichtigheid betracht ten opzichte van ander verkeer, zeker op het moment dat hij in de ochtendspits met een vrachtwagen met oplegger binnen de bebouwde kom en op een onoverzichtelijke kruising rijdt terwijl het schemerig is. Dit is des te meer het geval op het moment dat er wordt voorgesorteerd op de rijbaan voor linksafslaand verkeer, terwijl hij voornemen is om rechtsaf te slaan. Op dat moment dient extra voorzichtigheid en oplettendheid te worden betracht omdat andere verkeersdeelnemers hier niet op voorbereid hoeven te zijn. Hoewel het slachtoffer zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, heeft hij hem niet opgemerkt. Door de combinatie van al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Letsel slachtoffer

Bij het slachtoffer is als gevolg van het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Hij heeft onder meer breuken in de bekken en de enkel opgelopen, is meermaals geopereerd en heeft langdurig moeten revalideren. Ten tijde van de zitting, ruim anderhalf jaar na het ongeval, is het slachtoffer nog niet volledig hersteld.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen in die dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij het slachtoffer.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

primair

hij op 29 november 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en de Molenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen, bestaande dat gedrag hieruit:

  • verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en

  • verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en (langere tijd) tot stilstand gehouden en heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en rechtsaf gereden en

  • verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en voldoende van vergewist en is zich er gedurende het vooruit en rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en

  • verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en is (vervolgens) tegen die fietser aangereden en

  • ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden

waardoor een ander (zijnde die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1..

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht3.2..

Strafbaarheid van het feit

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1..

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.4.2..

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr, dan wel om een gehele of gedeeltelijke voorwaardelijke straf op te leggen. Een ontzegging van de rijbevoegdheid zou enorme gevolgen hebben voor de verdachte, mede gelet op zijn werk.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1..

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich als bestuurder van een vrachtauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Hij heeft zich er bij het afslaan niet voldoende van vergewist dat de weg vrij was en heeft het slachtoffer niet opgemerkt, waardoor dat slachtoffer ten val is gekomen en met zijn fiets onder de vrachtauto is beland. Met zijn onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker veronachtzaamd, met name nu hij een professioneel bestuurder is die al vele jaren als beroepschauffeur werkt. Het destijds negenjarige slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval ernstig letsel opgelopen waarvan hij lange tijd heeft moeten herstellen en waarvan hij, blijkens de ter zitting afgelegde verklaringen, nog steeds niet volledig hersteld is. De rechtbank realiseert zich dat een op te leggen straf nooit recht zal doen aan het leed dat bij het slachtoffer is ontstaan als gevolg van het ongeval.4.3.2..

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte is nog steeds werkzaam bij dezelfde werkgever, maar heeft om aangepaste diensten gevraagd als gevolg van het ongeval. De verdachte rijdt nu voornamelijk diensten buiten de spitsuren. De verdachte heeft op de terechtzitting spijt betuigd en zijn excuses aan het slachtoffer en zijn familie aangeboden. Het verkeersongeval heeft onmiskenbaar veel indruk op de verdachte gemaakt.4.3.3..

Oplegging straffen

Bij de bepaling van de straffen heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 120 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

Het handelen van de verdachte is weliswaar gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar de rechtbank merkt op dat er in dit geval sprake is van de ondergrens van de in dat artikel bedoelde schuld. De verdachte heeft zich ter zitting zeer schuldbewust opgesteld en ook is gebleken dat hij mentaal veel last heeft gehad van het ongeval. Ook de verdachte zal moeten leren leven met de gevolgen van zijn handelen. De verdachte is daarnaast nooit eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Gelet op die omstandigheden, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten en de eis van de officier van justitie. Een taakstraf voor de duur van 40 uren wordt passend en geboden geacht. Daarnaast zal, gelet op het belang van de verdachte om over een rijbewijs te kunnen beschikken, de ontzegging van de rijbevoegdheid in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.5. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.6. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

Ontzegging van de rijbevoegdheid

ontzegtde verdachtede bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van6 (zes) maanden;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs;

bepaalt dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzijde rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde, dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken, niet naleeft.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. de Lange, voorzitter,

en mrs. H.J. de Kraker en E.M. Moison, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het procesdossier met nummer [dossiernummer] .

Verklaard tijdens de zitting van 27 mei 2026.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongeval, Eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer] , pagina 82 tot en met 120 van het procesdossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

De FARR verklaring bevattende medische informatie over [slachtoffer] van 17 april 2025, pagina 40 tot en met 42 van het procesdossier, opgemaakt door forensisch arts [arts] .

Weitere Entscheidungen