ECLI:NL:RBROT:2026:7863
Zusammenfassung
Strafrecht
Uitspraak
Dordrecht
Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/350924-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
Datum zitting: 2 april 2026
Tegenspraak
Verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1986 in [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [verblijfsplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. C.J.J. Kwint
Officier van justitie: mr. X.R. van Balen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een handgranaat. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij een handgranaat voorhanden heeft gehad. De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 26 december 2025 te Schiedam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categroie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of doormiddel van ontploffing (namelijk een handgranaat), voorhanden heeft gehad;2. Bewijs2.1..
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.2.2..
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1..
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een handgranaat. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik in het bezit was van een handgranaat.
2. Proces-verbaal van de politie, bevindingen
Op 26 december 2025 omstreeks 00.35 uur kregen wij het verzoek om te gaan richting [adres 2] te Schiedam. Daar zou de broer van melder voor de voordeur staan. De broer van melder was agressief en zou tegen de voordeur aan trappen.
Op 26 december 2025 kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse aan [adres 2] ter hoogte van pandnummer [nummer] . Wij zagen dat dat de hondengeleider, [kentekennummer] , al ter plaatse was en bij een man stond die later bleek te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1986 te [geboorteplaats 1]
Ik hoorde dat de, toen nog onbekende man, geen geldig identificerend document bij zich had, waarna de politiefunctionaris van [kentekennummer] hem onderwierp aan een identiteits-fouillering. Ik zag dat hij hierbij diverse spullen uit de jaszak van, de toen nog onbekende man, haalde, waaronder een plastic tasje. Ik zag dat de politiefunctionaris deze op de grond neerlegde. (...)
Ik zag dat er een man in de opening van de voordeur stond aan de [adres 2] te Schiedam. Ik liep richting de man en deze bleek de melder en tevens halfbroer van [verdachte] te zijn en betrof: [persoon A] geboren op [geboortedatum 2] 1997 te [geboorteplaats 2] . Ik hoorde dat [persoon A] verklaarde dat hij [verdachte] niet in zijn huis wilde hebben en hem daarom geen toegang verschafte tot de woning. Ik heb [persoon A] vervolgens naar binnen gestuurd, omdat ik zag en hoorde dat [verdachte] zich op dat moment recalcitrant opstelde richting de politiefunctionaris van [kentekennummer] .
Wij zagen dat [verdachte] duidelijk onder invloed was. [verdachte] sprak namelijk met een dubbele tong en was onvast ter been. Wij hoorden dat [verdachte] hard aan het schreeuwen was en wij zagen dat hierdoor meerdere buurtbewoners voor hun raam stonden en naar buiten keken in onze richting. Gezien het tijdstip zorgde dit voor veel overlast in de straat. Ik zag en hoorde dat [verdachte] de straat, op aanwijzing van de politiefunctionaris van [kentekennummer] , weigerde te verlaten. [verdachte] begon de politiefunctionaris van [kentekennummer] daarbij te beledigen. [verdachte] riep namelijk met luide stem teksten als: "Ik neuk je kanker moeder, ik pak je kanker moeder wel". [verdachte] begon zich steeds meer recalcitrant op te stellen richting ons verbalisanten.
Ik heb [verdachte] samen met de politiefunctionaris van [kentekennummer] , op 26 december 2025 aangehouden ter zake openbaar dronkenschap. Wij hebben [verdachte] daarbij achter in het dienstmotorvoertuig geplaatst. Wij zagen dat de politiefunctionaris van [kentekennummer] , in de richting liep van de spullen, die bij zijn eerdere identiteitsfouillering, uit de jaszak van [verdachte] kwamen. De politiefunctionaris van [kentekennummer] onderwierp het meegevoerde plastic tasje aan een vervoersfouillering. Wij zagen dat de politiefunctionaris van [kentekennummer] zich bij ons aan sloot en het plastic tasje open deed en de inhoud van het tasje aan ons liet zien. Wij zagen dat er een voorwerp in het tasje lag welke wij beiden direct herkenden als zijnde handgranaat.
3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen
EOD kwam ter plaatse op [adres 2] en hebben de handgranaat onschadelijk gemaakt. (...) Volgens de EOD ging het om een echte handgranaat gevuld met springstof en metalen ballen van het merk M75.
4. Deskundigenverslag
1. Betreft het een bekende explosieve constructie? Zo ja, wat is de herkomst? - Ja, de vermeende handgranaat – waarvan de losse onderdelen als onderzoeksmateriaal zijn aangeleverd – betrof een scherfhandgranaat van het type M75P3. Dit type handgranaat werd geproduceerd door de fabrikant Slavko Rodič uit Bugojno (Bosnië Herzegovina) en is in gebruik geweest bij het voormalige Joegoslavische volksleger.
2. Is het een deugdelijke explosieve constructie (met andere woorden: had deze tot ontploffing kunnen worden gebracht)? - Ja, de handgranaatonderdelen oogden in gave conditie en er zijn bij het onderzoek geen onvolkomenheden geconstateerd. Ik twijfel dan ook niet aan de deugdelijkheid van de handgranaat. Wanneer de handgranaat zou zijn geactiveerd, dan zou deze tot ontploffing zijn gekomen.
3. Valt een dergelijke constructie onder de Wet wapens en munitie? Ja, scherfhandgranaten van het type M75P3 –zoals de handgranaat in dit onderzoek– zijn gezien de opbouw, de werking, de uitwerking, het doel waar deze handgranaten voor zijn geproduceerd (oorlogsvoering), aan te merken als: “een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing”, zoals vermeld in de Wet wapens en munitie, artikel 2, lid 1, categorie II, 7°.2.3.2..
Bewijsmotivering
De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij een handgranaat voorhanden heeft gehad. De verdediging heeft gesteld dat de doorzoeking van de tas van de verdachte, waar de handgranaat in zat, onrechtmatig is geweest en dat daarom sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Dit betreft een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het bewijs moet dus worden uitgesloten van het dossier en dat zou ertoe moeten leiden dat de verdachte wordt vrijgesproken, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt de volgende feiten vast. In de nacht van 26 december 2026 krijgen verbalisanten het verzoek te gaan naar [adres 2] in Schiedam omdat de broer van de melder (naar later blijkt de verdachte) agressief gedrag zou vertonen. Ter plekke treffen zij de verdachte aan en onderwerpen hem aan een identiteitsfouillering. Zij halen spullen uit zijn jaszak, waaronder een plastic tas. Zij constateren tevens dat de verdachte duidelijk onder invloed is. Omdat de verdachte de aanwijzingen van de verbalisanten niet opvolgde, zich recalcitrant opstelde tegen de verbalisanten en hen ook beledigde, houden zij hem aan voor openbaar dronkenschap en plaatsen hem in de politieauto. Vervolgens loopt één van de verbalisanten naar de spullen van de verdachte, die zij hadden aangetroffen tijdens de identiteitsfouillering, en onderwerpt deze aan een vervoersfouillering. Als de verbalisant de plastic tas in het kader van de vervoersfouillering opent, wordt een voorwerp gezien dat direct wordt herkend als een handgranaat.
De vervoersfouillering is geregeld in artikel 7 lid 4 Politiewet. Op grond van dit artikel hebben opsporingsambtenaren de bevoegdheid een te vervoeren persoon aan zijn kleding en de voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen. De rechtbank is van oordeel dat de politie, gezien de hiervoor vastgestelde feiten, heeft gehandeld conform artikel 7 lid 4 Politiewet. Gelet op dit artikel waren de verbalisanten bevoegd de verdachte aan te houden en naar het politiebureau over te brengen en zijn spullen te onderwerpen aan fouillering en controle.
Dat conform artikel 7 lid 4 Politiewet is besloten tot de vervoersfouillering acht de rechtbank ook begrijpelijk in het licht van het feit dat de verdachte zich sinds de identiteitsfouillering steeds recalcitranter was gaan gedragen, hij de aanwijzingen van de verbalisanten niet opvolgde en hen ook had beledigd. Verbalisanten mogen in het geval van het vervoeren van een aangehouden verdachte – en zeker in dit geval – voor hun eigen veiligheid of voor de veiligheid van de verdachte of die van derden, de voorwerpen onderzoeken die de verdachte bij zich draagt of met zich meevoert. De in de plastic tas aangetroffen handgranaat is dus geen onrechtmatig verkregen bewijs. Anders dan de rechter-commissaris is de rechtbank is, die daarover uiteindelijk te oordelen heeft, van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim. Zij verwerpt daarom het verweer.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op of omstreeks26 december 2025 te Schiedam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1CategorieII onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of doormiddel van ontploffing (namelijk een handgranaat), voorhanden heeft gehad;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1..
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
3.2..
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvolging, omdat aan zijn handelen in de gegeven omstandigheden het wederrechtelijk karakter ontbreekt. De verdachte had de intentie de handgranaat te overhandigen aan de politie en wilde eerst aan zijn broer vragen wat hij met de situatie aan moest. De rechtbank begrijpt dat de verdachte meent dat hem een geslaagd beroep op een (niet nader gespecificeerde) rechtvaardigingsgrond toekomt.
Vast staat dat de verdachte een handgranaat heeft aangetroffen in een plastic tas en deze handgranaat in de plastic tas heeft meegenomen naar de woning van zijn broer. Door te besluiten de handgranaat mee te nemen en te vervoeren naar de woning van zijn broer is de verdachte als heer en meester over die handgranaat gaan beschikken. Dat hij met louter goede intenties heeft besloten de handgranaat bij zich te houden en naar zijn broer te gaan voor advies, vindt geen steun in ander bewijs dan zijn eigen verklaring en vindt de rechtbank daarom niet aannemelijk.
Indien hij met zijn handelen de maatschappij had willen beschermen tegen een gevaarlijk en verboden voorwerp had het naar oordeel van de rechtbank in de rede gelegen dat de verdachte bij ontdekking van de handgranaat zich daarvan zou distantiëren en direct bij de politie melding zou maken van zijn vondst. In plaats daarvan is hij blijven drinken en “chillen” en heeft hij, toen hij wegging, de plastic tas met de handgranaat meegenomen en over de openbare weg vervoerd naar de woning van zijn broer. Onder die omstandigheden komt de verdachte naar oordeel van de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond toe en was het handelen van de verdachte wederrechtelijk.
Het feit en de verdachte zijn dus strafbaar.4. Straf4.1..
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.4.2..
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijkstaat aan het voorarrest en anders een deels voorwaardelijke taakstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1..
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft een handgranaat voorhanden gehad. Explosieven worden meer en meer gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven, soms met ingrijpende gevolgen, en veroorzaken dan veelal grote materiële schade, gevaar voor personen en ernstige gevoelens van onveiligheid. Ook komen regelmatig ongelukken voor bij het hanteren van dergelijke explosieven. Al om die reden wordt streng opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van explosieven. Daar komt bij dat uit het onderzoek van het NFI blijkt dat verdachte een zogenaamde scherfhandgranaat in gave conditie voorhanden heeft gehad. Zo’n handgranaat bevat naast springstof metalen kogeltjes die zijn bedoeld personen in de directe omgeving te treffen als de handgranaat tot ontploffing komt. De handgranaat had bij het afgaan ervan tot enorme schade hebben kunnen leiden.4.3.2..
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Reclasseringsrapport
In het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 26 maart 2026 staat het volgende.
De verdachte maakte in de gesprekken met de reclassering geen melding van onoverkomelijke problemen, anders dan dat hij graag hulp zou willen bij het vinden van een andere woonplek. Uit zowel dossier- als referenteninformatie kwamen aanwijzingen voor problematisch middelengebruik naar voren. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan regulier werk en staat hij onder bewindvoering.
Uit referenteninformatie bleek dat de verdachte zich in vrijwillig kader onvoldoende liet begeleiden door de hulpverlening en dat hij zich, ondanks herhaaldelijke kansen en waarschuwingen, zou hebben onttrokken aan afspraken, waardoor vervolgtrajecten (zoals behandeling of dagbesteding) onvoldoende van de grond kwamen. De hulpverlening en zijn familie zouden niet tot hem kunnen doordringen. De reclassering ziet ook weinig probleembesef en behandelmotivatie bij de verdachte voor zijn middelengebruik. Inmiddels is verdachtes verblijfsplek bij het CVD beëindigd. Het advies van de (eerder) betrokken partijen (CVD en Wmo-adviseur van de gemeente Rotterdam) was dat de verdachte beschermd zou moeten gaan wonen, omdat de eerdere setting bij het CVD te vrijblijvend was en meer begeleiding en toezicht nodig wordt geacht. De reclassering heeft in dat kader geprobeerd de verdachte te motiveren voor beschermd wonen, maar hij ziet dat niet zitten. De reclassering heeft vervolgens nogmaals met de verdachte gesproken over het voorgestelde plan van aanpak, maar hij heeft laten weten daar niet langer gemotiveerd voor te zijn.
De reclassering heeft verder de gemeente Rotterdam verzocht te blijven kijken naar alternatieve (niet-forensische) woonplekken voor de verdachte. De reclassering heeft van de casemanager vernomen dat de verdachte ook het begeleidingsplan (met o.a. beschermd wonen) van de gemeente niet heeft willen ondertekenen, omdat hij na detentie geen hulp wenst en zijn leven zelf wil vormgeven, met behulp van zijn familie.
Omdat de verdachte niet gemotiveerd is om mee te werken met haar concludeert de reclassering dat zij een plan in een forensisch kader onverminderd geïndiceerd vindt. Zij vindt dat echter onvoldoende haalbaar. Bij een veroordeling adviseert zij dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij onvoldoende mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.4.3.3..
Oplegging straf
Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. De ernst van het strafbare feit rechtvaardigt, mede in het licht van de omstandigheden waaronder het feit is begaan en gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ligt niet in de rede omdat de verdachte ook ter terechtzitting duidelijk heeft uitgesproken niet te willen mee werken aan bijzondere voorwaarden.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.6. Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit zoals in hoofdstuk 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I. Bouter, voorzitter,
en mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 april 2026.
Mr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .
Gedaan op de terechtzitting van 2 april 2026.
Pagina’s 6-9.
Pagina’s 12-13.
Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 23 maart 2026, Explosievenonderzoek aan een vermeende
handgranaat aangetroffen bij een persoon in Schiedam op 26 december 2025.