Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5279

Gericht

Bergen op Zoom

Datum

6 May 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Bergen op Zoom

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer: 12196593 \ VV EXPL 26-20

Vonnis in kort geding van 6 mei 2026

in de zaak van

[eiser],

te zonder vaste woon- of verblijfplaats,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens,

tegen

STICHTING ALWEL,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Alwel,

gemachtigde: mr. B. Boos, LAVG.

1. De procedure

1.1..

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 22 april 2026 met producties, - de akte van Alwel met producties, - de mondelinge behandeling van 28 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2. De feiten in het kort

2.1.. Alwel heeft de woning aan de [adres] aan [eiser] verhuurd. Bij verstekvonnis van 15 februari 2023 is de huurovereenkomst ontbonden wegens een huurachterstand, waarbij [eiser] is veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot betaling van de huurachterstand, een gebruiksvergoeding, rente en kosten. Na dit vonnis heeft [eiser] maandelijks een (gebruiks)vergoeding, vermeerderd met € 25,00 aan aflossing, aan Alwel voldaan. In de periode van 28 december 2025 tot en met 24 maart 2026 verbleef [eiser] in Congo. Gedurende zijn afwezigheid heeft Alwel bij exploot van 9 januari 2026 de ontruiming van de woning aangezegd, waarbij [eiser] is gesommeerd de woning binnen veertien dagen te verlaten. Vervolgens heeft Alwel hem op 20 januari 2026 per e-mail verzocht contact op te nemen in verband met de geplande ontruiming op 27 januari 2026. De woning is na de ontruiming door Alwel aan nieuwe huurders verhuurd.

3. Het geschil

3.1..

[eiser] vordert - samengevat en uitvoerbaar bij voorraad -:

I. gedaagde te veroordelen:

a. het aanbieden van een woning in [plaats] binnen zes weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis, gelijkwaardig wat betreft het aantal kamers en het (grond)oppervlak,

b. het ter beschikking stellen van een hotelkamer ter waarde van € 150,00 per nacht, totdat [eiser] weer over een woning beschikt,

c. het vervoeren van de goederen van [eiser] naar de (nieuwe) woning,

II. dat aan het onder I gevorderde een dwangsom wordt verbonden van € 250,00 per dag voor iedere dag dat gedaagde niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 30.000,00

III. te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2..
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Alwel, hoewel zij beschikte over een geldige titel voor de ontruiming, in de gegeven omstandigheden niet tot ontruiming had mogen overgaan. Volgens hem is die maatregel, gelet op zijn persoonlijke situatie, te vergaand. Hij wijst er verder op dat hij na het verstekvonnis steeds de gebruiksvergoeding heeft betaald en daarnaast maandelijks € 25,00 heeft afgelost op de achterstand. Daarmee is hij de betalingsregeling blijven nakomen. Tegen die achtergrond en gezien zijn omstandigheden, had Alwel volgens hem niet tot ontruiming mogen overgaan.

3.3.. Alwel voert gemotiveerd verweer en voert daarbij het volgende aan. Allereerst betwist zij dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Verder wijst zij erop dat in juli 2025 de gebruiksverhoging is verhoogd. [eiser] heeft deze verhoging één keer betaald, maar heeft daarna de ‘oude’ gebruiksvergoeding betaald. Alwel heeft [eiser] hier meermaals op geattendeerd, maar er was geen contact met hem te krijgen.

3.4.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1..

Volgens Alwel heeft [eiser] geen spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat de woning al in januari 2026 is ontruimd en het kort geding pas in april 2026 is ingesteld. De kantonrechter volgt dit verweer niet.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering zelf. [eiser] beschikt thans niet over woonruimte en leeft daardoor op straat. Gelet hierop kan van hem niet worden verlangd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Daarmee is voldoende aannemelijk dat sprake is van een spoedeisend belang.

De ontruiming

4.2.. De kantonrechter oordeelt dat de ontruiming niet was gerechtvaardigd. Zij overweegt hiertoe het volgende.

4.2.1.. Alwel heeft het verstekvonnis pas na geruime tijd ten uitvoer gelegd, namelijk bijna drie jaar na de uitspraak. Hoewel de bevoegdheid tot executie niet is verjaard, brengt de ontruiming mee dat een belangenafweging dient plaats te vinden. In dat kader ligt het op de weg van Alwel om te motiveren waarom tot ontruiming is overgegaan. Als reden voor de ontruiming heeft Alwel aangevoerd dat [eiser] de huurverhoging per juli 2025 niet heeft voldaan en dat hij daarnaast gedurende langere tijd slechts € 25,00 per maand heeft afgelost, terwijl de betalingsregeling een looptijd van zes maanden had. Zij heeft hem meermaals gevraagd de afspraken behoorlijk na te komen, maar heeft geen reactie ontvangen.

4.2.2.. Daartegenover staat het belang van [eiser] . Hij bevindt zich in een zeer kwetsbare positie, nu hij momenteel op straat leeft en kampt met zowel fysieke als mentale klachten. Daarnaast beheerst hij de Nederlandse taal niet, hetgeen zijn vermogen om zelfstandig te functioneren en passende hulp of voorzieningen te vinden aanzienlijk belemmert. Dit maakt dat hij in sterke mate afhankelijk is van derden en beperkt zelfredzaam is. Het verlies van woonruimte heeft voor hem dan ook ingrijpende en ontwrichtende gevolgen. De reden dat hij ruim twee maanden niet bereikbaar was komt doordat hij bij zijn zieke vrouw in Congo was. Tijdens zijn verblijf daar is zijn vrouw overleden.

4.2.3.. Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Alwel bij tenuitvoerlegging van het verstekvonnis in dit geval niet zwaarder weegt dan het belang van [eiser] . Daarbij weegt mee dat de tekortkoming aan de zijde van [eiser] in essentie beperkt is gebleven tot het niet voldoen van de huurverhoging per juli 2025 en daarmee van relatief geringe aard is. Hoewel vaststaat dat de overeengekomen betalingsregeling na zes maanden had moeten worden herzien, heeft [eiser] wel structureel afgelost en de lopende (oude) gebruiksvergoeding voldaan, zodat er geen sprake is van een situatie waarbij zonder ontruiming de schuld verder zal oplopen. Daarnaast kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat [eiser] onvoldoende heeft begrepen dat hij de verhoogde gebruiksvergoeding diende te betalen.

4.2.4.. Voorts acht de kantonrechter van belang dat Alwel, als sociale verhuurder, een bijzondere verantwoordelijkheid draagt in de omgang met haar huurders. In een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van een huurder met beperkte taalvaardigheid en aantoonbare kwetsbaarheid, mocht van Alwel een meer actieve en zorgvuldige opstelling worden verwacht. Het had op haar weg gelegen om [eiser] op begrijpelijke wijze te wijzen op de dreigende ontruiming en de gevolgen daarvan, en om zo nodig telefonisch contact met hem op te nemen teneinde escalatie te voorkomen. Alwel heeft slechts niet aangetekende brieven gestuurd en één keer gemaild met met [eiser] . Volgens Okombi Obata heeft hij een ander emailadres, zodat die email hem niet heeft bereikt. Voorts heeft [eiser] onwweersproken gesteld dat hij geen brieven heeft ontvangen omdat de brievenbus kapot was. Dat het verstekvonnis als waarschuwing kan gelden, maakt dit in de gegeven omstandigheden niet anders, nu ter zitting is gebleken dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat [eiser] de reikwijdte en consequenties daarvan daadwerkelijk heeft begrepen, zeker gelet op het feit dat hij na dat verstekvonnis nog drie jaar in de woning heeft gewoond.

4.3.. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Alwel jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis over te gaan. De nadelige gevolgen daarvan dienen door Alwel te worden hersteld. Dit brengt mee dat Alwel gehouden is [eiser] passende vervangende woonruimte aan te bieden, die wat betreft omvang en aard aansluit bij de eerder gehuurde woning.

4.4.. Aan deze verplichting zal een dwangsom worden verbonden voor het geval Alwel hiermee in gebreke blijft. De dwangsom zal worden toegekend zoals in de beslissing is vermeld.

4.5.. De vordering met betrekking tot het beschikbaar stellen van een hotelkamer ter waarde van € 150,00 per nacht zal in die zin worden toegewezen dat Alwel veroordeeld wordt tot het ter beschikking stellen van een overnachtingsmogelijkheid met wasgelegenheid. Dat kan een hotel zijn, maar het kan ook een tijdelijke ander onderkomen zijn. De gevorderde vergoeding voor hotelovernachtingen zal, bij gebreke van een onderbouwing, worden afgewezen. De kantonrechter merkt daarbij op dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Dit brengt mee dat Alwel, ongeacht een eventueel rechtsmiddel of het verdere verloop van de procedure, gehouden is om aan de veroordeling te voldoen.

De proceskosten

4.6.. Alwel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

151,94

  • griffierecht

93,00

  • salaris gemachtigde

577,00

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

965,94

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.. veroordeelt Alwel om binnen zes weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis een woning in [plaats] aan [eiser] aan te bieden welke gelijk is aan de woning gelegen te [plaats] op het gebied van het aantal kamers en (grond)oppervlak,

5.2.. veroordeelt Alwel om aan [eiser] een overnachtingsmogelijkheid met wasgelegenheid ter beschikking te stellen totdat hij weer over een woning beschikt.

5.3.. veroordeelt Alwel tot het vervoeren van de goederen van [eiser] vanuit de plaats waar zij de goederen heeft doen opslaan naar de woning bedoeld onder 5.1.,

5.4.. veroordeelt Alwel om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 200,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

5.5.. veroordeelt Alwel in de proceskosten van € 965,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Alwel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Weitere Entscheidungen