Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5377

Gericht

Breda

Datum

19 May 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Personen- en familierecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/446868 FA RK 26/1770

datum uitspraak: 19 mei 2026

beschikking betreffende vervangende toestemming reizen naar het buitenland

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof,

en

[de man],

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de man.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

  • het op 3 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 18 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Hoewel correct opgeroepen, is de man niet verschenen.2. De feiten

2.1. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

  • partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

  • uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016.

  • Genoemd kind is door de man erkend.

  • Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;

  • de minderjarige staat ingeschreven op het adres van de vrouw.

3. Het verzoek

3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de reis en het verblijf van de vrouw tezamen met de minderjarige dochter van partijen te ( [plaats] ) Duitsland gedurende de periode 12 en 13 juni 2026.

4. De beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.2. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige. Dit betekent dat de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met de minderjarige naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. In het algemeen is het in het belang van een kind dat een kind op (mini)vakantie dan wel uitstapjes kan met zijn of haar ouders. In het onderhavige geval gaat het om een [concert] in [locatie] . [minderjarige] is groot fan van de zanger. Op vrijdag 12 juni 2026 zullen [minderjarige] en de vrouw heen reizen, en op zaterdag 13 juni weer terug naar Nederland reizen. De vrouw beschikt niet over een toestemmingsformulier van de man zodat zij met [minderjarige] naar het buitenland mag reizen, ondanks dat de vrouw daarom heeft verzocht. De rechtbank kijkt naar het belang van [minderjarige] . Er is geen enkele reden om haar het uitstapje naar het concert in Duitsland met haar moeder te ontzeggen. Uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor het kind te zorgen of wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder dan wel wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling. Gesteld noch gebleken is dat dergelijke situaties hier aan de orde zijn. De rechtbank zal aan de vrouw dan ook vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige] naar Duitsland te gaan in de periode van 12 juni 2026 tot en met 13 juni 2026.

4.3. De rechtbank zal deze beslissing in het belang van [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep uitgevoerd kan worden.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om in de periode 12 juni 2026 tot en met 13 juni 2026 met [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, af te reizen en te verblijven in Duitsland ( [plaats] );

5.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Weitere Entscheidungen