Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5392

Gericht

Breda

Datum

19 May 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Personen- en familierecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447046 / JE RK 26-640

Datum uitspraak: 19 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie

’s-Hertogenbosch, gevestigd te 's-Hertogenbosch,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

  • DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het verloop van de procedure

1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026;

het op 4 mei 2026 van de GI ontvangen perspectiefbesluit, gedateerd 28 april 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vader via een beeldbelverbinding;

twee vertegenwoordigsters van de GI;

een vertegenwoordigster van de Raad.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

1.3.. Er is tevens een oproepbrief verzonden naar de pleegmoeder, zij het niet met inachtneming van de geldende oproeptermijn, te weten op 18 mei 2026, bedoeld om haar in staat te stellen als belanghebbende een standpunt over het verzoek in te nemen en daarop een toelichting te geven. Van deze oproep is ook mededeling gedaan aan de GI. De GI gaf aan dat de pleegmoeder geen oproep had ontvangen. De pleegmoeder is niet ter zitting verschenen.

1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek ofwel schriftelijk ofwel mondeling tijdens een kind gesprek naar voren te brengen. [minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Aan de jeugdbeschermer heeft hij desgevraagd mondeling kenbaar gemaakt dat hij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing staat en dat hij daarom een kind gesprek niet nodig vindt.

2. De feiten

2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 mei 2026.

2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 mei 2026.

2.4..
[minderjarige] is geplaatst in een pleeggezin, te weten in het gezin van de moeder van zijn vriend. [minderjarige] heeft contact met zijn moeder. Daarnaast verblijft [minderjarige] enkele keren per jaar tijdens vakanties of in een (lang) weekend bij de vader. Ook zien ze elkaar af en toe in Nederland.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 4 april 2027. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de GI

4.1.. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat, nadat het contact tussen de moeder en [minderjarige] enkele maanden was verbroken, er sinds februari 2026 tussen hen weer regelmatig contact plaatsvindt. Het contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder heeft naar de opvatting van de jeugdbeschermer in een vrij hoog tempo plaats gevonden, wat de situatie op dat vlak ook kwetsbaar maakt. Zo had dit tot gevolg dat er spanningen ontstonden in de opvoedsituatie in het pleeggezin omdat [minderjarige] zich aan afspraken en communicatie onttrok en daardoor de openheid en het vertrouwen tussen hem en pleegmoeder onder druk kwamen te staan. [minderjarige] was ook minder bereikbaar voor de pleegmoeder en de GI, hij zonderde zich af, verzorgde zich minder goed en verzuimde veel op het werk en van school. Ook lijkt [minderjarige] zich verantwoordelijk te voelen voor het gemis wat de moeder ervaart.

4.2..
[minderjarige] staat sinds februari 2026 onder begeleiding van Zorg Onderwijs en Werk (hierna: ZOW). Deze organisatie probeert hem door middel van extra aandacht, onderwijs op maat en ondersteuning te begeleiden naar een passende studiekeuze en daarmee een perspectief te bieden voor de toekomst. Daarnaast is [pleegzorg] betrokken. [pleegzorg] onderzoekt of het pleeggezin geschikt is om langdurig de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Tevens zal [pleegzorg] de pleegmoeder kunnen ondersteunen bij opvoedvraagstukken en [minderjarige] kunnen helpen ter voorbereiding op het zelfstandig worden en het ontwikkelen van een toekomstplan. [minderjarige] heeft wisselende en onvoorspelbare opvoedsituaties en daardoor niet altijd stabiliteit en veiligheid gekend. Dit is van invloed geweest op het vertrouwen bij hem in anderen, zijn motivatie en zijn vermogen om overzicht te houden in het dagelijks leven. Hij laat zien zich open te stellen voor extra (ambulante) begeleiding, ook omdat hij worstelt met gevoelens, met name in het contact met zijn moeder. Er is voor [minderjarige] individuele hulpverlening gestart door ‘Self doen wat werkt’.

4.3.. De GI acht het voor [minderjarige] , gezien zijn leeftijd, niet passend om een vast omkaderde omgangsregeling vast te leggen, maar wel dat het contact gedoseerd blijft plaats vinden, opdat duidelijk kan worden hoe [minderjarige] en de moeder daaraan op veilige en duurzame wijze invulling (kunnen) geven en nieuwe teleurstellingen en een contactbreuk in de toekomst kunnen worden voorkomen. De moeder laat zien zich geleidelijk meer open te stellen voor contact met de GI en met de hulpverlening. Wel blijkt zij nog steeds moeilijk emotioneel bereikbaar. Ook is het voor de pleegmoeder en voor de GI niet altijd duidelijk of de contacten die tussen de moeder en [minderjarige] plaatsvinden in het belang van [minderjarige] zijn. Verder is gebleken dat [minderjarige] , ondanks door hem uitgesproken positieve intenties om zich te blijven verbinden aan de gemaakte afspraken in het traject, in de praktijk daarvoor wisselende motivatie en inzet laat zien. Ook blowt hij nog steeds. Wel hebben er inmiddels gesprekken plaatsgevonden met de pleegmoeder en met de begeleiding op school, waardoor [minderjarige] meer bereikbaar werd. Dit heeft er ook in geresulteerd dat er een modus is gevonden in het contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij het belang van [minderjarige] leidend is, waar de GI op dit moment achter kan staan.

4.4..
[minderjarige] heeft in de opvatting van de GI bij de pleegouders een fijne en positieve zorg- en opvoedomgeving. De pleegouders zijn geduldig en kunnen zich goed inleven in wat er bij hem speelt en hij voelt zich door hen daadwerkelijk gezien en gehoord. Tegelijkertijd laat [minderjarige] zien dat hij nog steeds grote behoefte heeft aan de stevige omkadering en structuur, zoals die op dit moment door de pleegouders, de leerplichtambtenaar en de betrokken hulpverlening wordt geboden en de regievoering daarover door de GI.

4.5.. De GI acht een ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk, rekening houdend met het prille stadium, waarin de hulpverlening voor [minderjarige] en het pleeggezin zich bevindt, wat evenzeer geldt voor de hernieuwde samenwerking en het contact met de moeder en de dagbesteding van [minderjarige] . Van belang is dat, nu [minderjarige] voorzichtig in de positieve richting wordt begeleid en ondersteund, de jeugdbescherming in staat wordt gesteld om over dit proces voorlopig de regie te blijven voeren, ook opdat vastgesteld zal kunnen worden of/in hoeverre verlengde jeugdzorg voor na zijn 18de jaar aangewezen is. [minderjarige] heeft daarnaast behoefte aan duidelijkheid over zijn opvoed- en opgroeiperspectief. De GI heeft inmiddels een perspectiefbesluit genomen, dat met [minderjarige] en met de ouders is besproken. De inhoud daarvan luidt dat niet meer kan of moet worden gewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij betrekt de GI dat [minderjarige] zich op 17-jarige leeftijd in een cruciale fase richting zelfstandigheid bevindt, waarbij stabiliteit, voorspelbaarheid en continuïteit essentieel zijn voor een gezonde ontwikkeling. Bij [minderjarige] evenals bij zijn netwerk bestaat behoefte aan duidelijkheid waar hij verder op zal groeien en welke verwachtingen daarbij horen. Dit draagt ook bij aan rust en zorgt ervoor dat [minderjarige] zich op de toekomst zal kunnen richten.

4.6.. De moeder maakt, voor zover bekend, een meer stabiele periode door in haar persoonlijke leven, zij heeft veel baat bij de ondersteuning van de persoonlijke hulpverlening en zij staat meer open voor een samenwerking met de GI, waardoor de belangen van [minderjarige] en het aansluiten daarbij voor haar duidelijker zijn. Hoewel zij diep van binnen een terugkeer van [minderjarige] naar huis zou wensen ziet zij ook in dat dit met het oog op zijn leeftijd en ontwikkelingsfase niet langer een reële optie is. De vader kan geen fysiek aanwezige opvoeder zijn, omdat hij zijn vaste woonplaats in Duitsland heeft. Daarbij komt dat het zeker niet de voorkeur heeft van [minderjarige] om bij zijn vader te gaan wonen. Wel is er af en toe bezoekcontact met zijn vader in Duitsland en in Nederland. Deze contacten verlopen voor beiden doorgaans op een prettige manier.

5. Het standpunt van de vader

Door de vader is - samengevat - opgemerkt dat hij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing kan staan. Hij licht toe dat [minderjarige] naast duidelijke structuur en grenzen in zijn opvatting behoefte heeft aan psychologische hulp. Hij heeft moeten vaststellen dat de hulpverlening die [minderjarige] nodig heeft pas nu zijn 18-jarige leeftijd nadert daadwerkelijk op gang komt. Dat de hulpverlening voor [minderjarige] pas in een laat stadium is gestart komt volgens hem ook doordat de focus gedurende langere tijd te zeer werd gelegd bij het herstel van het contact tussen hem en de moeder. Hoewel hij het prijzenswaardig vindt dat [minderjarige] serieus bezig is met werk en met school maakt hij zich ook zorgen over zijn gedrag en ontwikkeling, waarbij hij meer specifiek duidt op de gevoeligheid bij [minderjarige] voor middelengebruik en de negatieve invloed die in dat opzicht van zijn broer uitgaat. Daarom dienen in zijn opvatting de beschermingsmaatregelen er ook op gericht te zijn en te blijven dat wordt voorkomen dat [minderjarige] opnieuw afglijdt en de huidige voorzichtige positieve ontwikkelingen teniet worden gedaan. Ook dient de hulpverlening in het kader van beide beschermingsmaatregelen gericht te zijn op het komen tot een goed fundament voor [minderjarige] met het oog op zijn naderende meerderjarigheid.

6. Het standpunt van de Raad

Namens de Raad is aangevoerd dat de Raad complimenten wenst te maken aan alle betrokkenen. [minderjarige] heeft een eigen plek bij de pleegouders, waar hij zich gezien en gehoord voelt en die plaatsing heeft bovendien de steun en instemming van beide ouders. De Raad heeft geen onderzoek gedaan naar het perspectief van [minderjarige] en kan daarom formeel daarover geen standpunt innemen. Wel kan de Raad er achter staan dat de kinderrechter zich inhoudelijk uitspreekt over het perspectiefbesluit in de te geven beslissing.

7. De beoordeling

7.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] naar het oordeel van de kinderrechter noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

7.2.. In de laatst gegeven beschikking, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 20 mei 2026, is overwogen dat [minderjarige] in het pleeggezin een positieve ontwikkeling liet zien en dat aan hem daar de benodigde rust en stabiliteit werd geboden. [minderjarige] gaf ook zelf aan dat hij niet vanuit het pleeggezin terug kon of wilde naar de oude situatie, waarin hij bij zijn moeder woonde. Dit gold op dat moment ook niet als reële optie vanwege de (verslavings)problematiek van de moeder, die maakte dat het op haar weg lag om te laten zien dat zij het patroon van alcoholmisbruik gedurende langere tijd weet te doorbreken en zij zonder incidenten of escalaties, abstinent kan blijven en daarmee het vertrouwen van [minderjarige] te kunnen herstellen. Ook werd overwogen dat de vader van [minderjarige] in Duitsland woont en hij daarom niet de zorg kan dragen voor [minderjarige] in Nederland.

7.3.. De inhoud van de actuele stukken en het verhandelde ter zitting strekken naar het oordeel van de kinderrechter tot de overtuiging dat [minderjarige] in het pleeggezin nog steeds een fijne plek heeft. Ook is en wordt er nog steeds gewerkt aan het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Hoewel er daarin beslist stappen zijn gemaakt is de situatie op dat vlak erg kwetsbaar gebleken. De moeder blijkt voor [minderjarige] nog steeds moeilijk emotioneel bereikbaar. Ook kan niet met zekerheid worden gesteld dat de contacten tussen de moeder en [minderjarige] altijd in het belang zijn van [minderjarige] . Dit maakt dat in het belang van [minderjarige] de voortgang daarvan door de GI gemonitord moet kunnen blijven worden en zij daarover regie kan blijven uitoefenen. Daarbij komt dat de hulpverlening voor [minderjarige] zich in een pril stadium bevindt, wat evenzeer geldt voor zijn dagbesteding. De kinderrechter acht het daarnaast in het belang van [minderjarige] , rekening houdend met zijn naderende meerderjarigheid, dat de GI oog blijft houden voor wat [minderjarige] ook na zijn 18e nog aan (extra) hulpverlening nodig heeft.

7.4.. De GI heeft de kinderrechter tevens verzocht zich uit te laten over het vastgestelde perspectiefbesluit, dat op 4 mei 2026 door de kinderrechter is ontvangen. De kinderrechter merkt hierover allereerst op dat het nemen van een perspectiefbesluit in beginsel tot de bevoegdheid van de GI behoort. De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. De kinderrechter kan het besluit niet bekrachtigen of vernietigen. Wel kan een perspectiefbesluit aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. Nu het doel van een uithuisplaatsing in beginsel het toewerken naar een thuisplaatsing is en in het voorliggende opvoedbesluit is vastgesteld dat het perspectief niet langer bij de moeder, maar bij het huidige pleegezin ligt, is het doel van het perspectiefbesluit strikt genomen strijdig met het doel van de uithuisplaatsing. De kinderrechter zal zich om die reden uitlaten over het perspectiefbesluit.

7.5.. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de zorgen die aanleiding waren voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] onverminderd aanwezig zijn. Alle omstandigheden en factoren, zoals hiervóór beschreven in rechtsoverweging 7.3, maken naar het oordeel van de kinderrechter dat het niet in het belang van [minderjarige] is om nog toe te werken naar een thuisplaatsing. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. Dit geeft hem rust en houvast en stelt hem in staat zich te richten op zijn eigen (toekomstige) ontwikkeling. Wel zal de hulpverlening aan [minderjarige] en aan de moeder worden voortgezet, zij het niet langer met het doel van terugplaatsing. Alles afwegende kan de kinderrechter zich vinden in het door de GI vastgestelde perspectief, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] bij het pleeggezin ligt.

7.6.. Met inachtneming van het vorenstaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige] verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 4 april 2027. Ook zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 april 2027.7.7.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

7.8.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8. De beslissing

De kinderrechter:

8.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 mei 2026 tot 4 april 2027;

8.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 mei 2026 tot 4 april 2027;8.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW.

Artikel 1:265c, tweede lid, BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Weitere Entscheidungen