ECLI:NL:RBZWB:2026:5453
Zusammenfassung
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/430176 / FA RK 24/6047
datum uitspraak: 21 mei 2026
beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. Th. Kremers
en
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. N. van Vliet
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats] ;
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda/Middelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
de beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2025 en alle daarin vermelde stukken;
het op 14 april 2026 ingekomen aanvullend verzoek van de vader;
de op 15 en 16 april 2026 ontvangen brieven van mr. N. van Vliet;
1.2 De zaak is (nader) behandeld op de zitting van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de ouders, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3 Gelet op de nauwe samenhang is deze zaak gezamenlijk behandeld met de zaak met kenmerk: C/02/446133 / FA RK 26-1384. Die zaak betreft een kindbriefzaak, gestart met een e-mailbericht die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gestuurd naar de kinderrechter.2. De feiten
2.1. De ouders zijn op 10 juli 2009 met elkaar getrouwd te [plaats 1] . Uit dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2018 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en oudersschapsplan (door partijen ondertekend op 5 juni 20218) deel zal uitmaken van de beschikking.
2.3..
Partijen hebben de afspraken van het ouderschapsplan gewijzigd door middel van een “addendum ouderschapsplan” dat zij op respectievelijk 15 en 27 november 2023 hebben ondertekend.
In het addendum ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens
in de twee weken van zaterdagochtend omstreeks 10.00 uur tot zondagavond omstreeks20.00.
uur bij vader zijn (hierna: de weekendregeling). Partijen hebben ook afgesproken dat
wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven langer en/of vaker bij vader en/of moeder te willen
verblijven, dit na overleg tussen de ouders mogelijk zal zijn. Partijen geven momenteel
uitvoering aan een weekendregeling waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vanaf vrijdagavond naar de
man gaan.
2.4.. Bij voormelde beschikking van 10 juni 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de tussen partijen overeengekomen wijziging van de zorgregeling voorlopigwordt vastgelegd en zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod.
3. De verzoeken
3.1. De vader verzoekt de in het ouderschapsplan opgenomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) te wijzigen naar een week-op-week-af-regeling, met het wisselmoment op zondagavond om 19.00 uur, althans een zodanige regeling als de rechtbank juist acht.
3.2.. De vader verzoekt (aanvullend) om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.
4. De standpunten
4.1. De moeder en haar advocaat geven aan dat partijen voor de komende periode een nieuwe zorgregeling zijn overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact zullen hebben met de vader. Het doel van deze ‘proefregeling’ is dat de ouders samen met hun dochters en onder begeleiding van de hulpverlening ( [hulpverlening] ), die in het kader van het Uniform Hulpaanbod is gerealiseerd, kunnen ervaren hoe die zorgregeling verloopt en wat één ieder daarin nodig heeft in het kader van het hebben van fijn contact van de beide dochters met de ouders. Er is acht jaar lang beperkt contact geweest tussen de vader en de kinderen, dus het is logisch dat er zorgvuldig wordt bekeken wat de ervaringen zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het hebben van meer contact met hun vader. De moeder wil graag dat de verstandhouding tussen haar partner en [minderjarige 1] wordt verbeterd. Zij hoopt dat [hulpverlening] daar ondersteuning in kan gaan bieden.
4.2. De vader en zijn advocaat bevestigen dat er een nieuwe zorgregeling overeen is gekomen. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact met hem willen en zij willen dat er naar hen wordt geluisterd. De vader heeft al eerder aan de moeder gevraagd om een uitbreiding van het contact, maar zij wilde daar toen niet aan meewerken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief hebben gestuurd, wil de moeder wel meewerken. De vader wil het liefst dat er nu al een co-ouderschapregeling wordt vastgesteld. Hij begrijpt ook dat er eerst een opbouw moet plaatsvinden en hij is daarom ook akkoord gegaan met de huidige gewijzigde contactregeling. Het heeft erg lang geduurd voordat er hulp is ingeschakeld. De vader heeft zelf nog geen contact gehad met [hulpverlening] .
4.3. De vertegenwoordigster van de Raad is van mening dat de huidige afgesproken zorgregeling moet worden gecontinueerd. Het is ook belangrijk dat het traject bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Een belangrijk onderwerp daarin is ook de verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De Raad adviseert om de huidige overeengekomen zorgregeling voorlopig vast te stellen in afwachting van de resultaten van het traject bij [hulpverlening] .
5. De nadere beoordeling
5.1.. De ouders hebben overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor de komende periode. In die regeling wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om meer contact te hebben met hun vader. Ouders hebben afgesproken dat het contact tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt voorlopig zal plaatsvinden:
[minderjarige 1] verblijft om de week een hele week bij de man (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27);
[minderjarige 2] verblijft een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader. De kinderrechter vindt dat de ouders een groot compliment verdienen met het overeenkomen van deze ‘proefregeling’. Zij komen daarmee tegemoet aan de wensen van hun kinderen. Deze regeling is ambtshalve door de rechtbank vastgelegd in het kader van de informele rechtsingang.
5.2.. De komende periode wordt er gewerkt aan het contact tussen de vader en de kinderen. [hulpverlening] is gestart met een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. De ouders gaan werken aan een ouderschapsplan en zullen dan naar de rechtbank hoopt ook een definitieve zorgregeling overeenkomen. Daarnaast zal er onder begeleiding van [hulpverlening] ook aandacht zijn voor de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De rechtbank vindt het daarom niet wenselijk om nu al een beslissing te nemen over het wijzigen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en zal daarom die beslissing aanhouden. Het loket zal opnieuw worden verzocht om uiterlijk op de na te melden pro forma datum de UHA-rapportage (van [hulpverlening] ) bij de griffie van de rechtbank in te dienen.
6. De beslissing
De rechtbank:
6.1..
verzoekt het loket om uiterlijk op 25 augustus 2026 pro forma, of zoveel eerder als
mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het
(jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Weterings, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.