ECLI:NL:RBZWB:2026:5520
Zusammenfassung
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4241
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde], verbonden aan WOZ kwadraat B.V.),
en
de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 maart 2024.
1.1.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 818.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Sluis voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank merkt in dit kader op dat de heffingsambtenaar meermaals heeft verzocht om uitstel van de zitting, dan wel digitale deelname. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen. De rechtbank gaat vanaf r.o. 3.2. in op de afwijzing van deze verzoeken.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een appartement met bouwjaar 2018.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de woning te hoog vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf:
3.2.. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 22 april 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De heffingsambtenaar verzoekt als volgt:
“In deze zaak is een zitting gepland op 8 mei aanstaande. Omdat op die dag in de ochtend ook door het Hof een zitting is gepland komen wij in tijdnood. Aangezien wij werken met een vaste gemachtigde verzoeken wij u vriendelijk de zittingen in
Middelburg te laten starten om 13:30 uur in de middag.”
Bij brief van 7 mei 2026 heeft de heffingsambtenaar dit verzoek herhaald:
“Zoals eerder kenbaar gemaakt is op 8 mei ook een zitting gepland bij het Gerechtshof. Wij hebben zowel bij uw Rechtbank als het Hof een verzoek gedaan om te schuiven in het tijdstip. Dit verzoek is afgewezen. Het is voor ons mogelijk om vanaf 12:00 uur digitaal de zittingen bij te wonen. In dat geval ontvangen wij graag een link om deel te nemen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan verzoek ik de zittingen te verplaatsen zodat wij vanaf 13 uur fysiek aanwezig kunnen zijn.”
3.3.. De rechtbank merkt op dat in de zittingsuitnodiging het volgende is vermeld:
“De zaak zal op zitting worden behandeld op vrijdag 8 mei 2026, om 14.15
uur. De behandeling van het beroep op de zitting duurt ongeveer 25 minuten.”
3.4.. Nu partijen om 14.15 uur zijn uitgenodigd voor de zitting, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het zittingstijdstip te wijzigen. De zitting is immers reeds gepland op een tijdstip waar de heffingsambtenaar om verzoekt. Het komt de rechtbank voor dat de heffingsambtenaar per abuis deze berichten in dit dossier heeft verstuurd. Overigens heeft geen gemachtigde zich gesteld in deze zaak namens de heffingsambtenaar.
3.5.. Tevens heeft de rechtbank op de zittingsdag een e-mailbericht van de heffingsambtenaar ontvangen met het verzoek om digitaal aan de zitting deel te nemen. De heffingsambtenaar verzoekt als volgt:
“Vanmiddag staat een zitting gepland in een aantal zaken waarin de gemachtigde van SaBeWa Zeeland namens ons zou optreden.
Eerder hebben wij al verzocht om deze zaken te verzetten, omdat onze gemachtigde diezelfde ochtend ook aanwezig moet zijn bij een hoger beroep bij het Gerechtshof in Den Bosch. Helaas bleek verplaatsing van beide zittingen niet mogelijk.
Daarop hebben wij ervoor gekozen onze gemachtigde direct na afloop van de zitting in Den Bosch naar Middelburg te laten reizen, in de verwachting dat dit qua planning haalbaar zou zijn. Inmiddels blijkt echter dat de behandeling bij het Hof uitloopt, waardoor het voor onze gemachtigde niet mogelijk zal zijn om tijdig fysiek aanwezig te zijn.
Wij verzoeken u daarom vriendelijk of het mogelijk is een digitale deelnamelink toe te sturen, zodat onze gemachtigde alsnog op afstand aan de zitting kan deelnemen.”
3.6.. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank overweegt dat van een bestuursorgaan zoals SaBeWa mag worden verwacht dat zij meer dan één fysieke zitting per dag in het land aan kan.
Schending artikel 8:42 van de Awb?
3.7.. Op grond van artikel 8:42 van de Awb dient de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan de heffingsambtenaar. Binnen deze termijn kan de heffingsambtenaar ook een verweerschrift indienen. Indien de rechter om een verweerschrift heeft verzocht, is de heffingsambtenaar gehouden binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.
3.8.. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar bij brief van 7 juni 2024 verzocht om uiterlijk 5 juli 2024 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Bij rappelbrief van 6 september 2024 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar opnieuw verzocht om uiterlijk 4 oktober 2024 op het verzoek van de rechtbank te reageren. De heffingsambtenaar heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijnen op deze verzoeken gereageerd.
3.9.. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar pas eerst op 7 mei 2026 – de zitting was op 8 mei 2026 - een document heeft ingediend zonder begeleidend schrijven wat kennelijk op de zaak betrekking heeft. Een verweerschrift is überhaupt niet ingediend. Ten aanzien van het door de heffingsambtenaar op 7 mei 2026 ingediende stuk, overweegt de rechtbank dat dit zodanig laat is, zonder dat daarbij een reden is gegeven waarom dit niet eerder kon, dat de rechtbank niet kan toestaan dit stuk nog toe te laten. De heffingsambtenaar ontneemt belanghebbende door dit onnodig late indienen de mogelijkheid om zich degelijk te kunnen voorbereiden op de zitting en om op een normale wijze te kunnen reageren op stukken. Op grond van de goede procesorde verklaart de rechtbank dit stuk dan ook tardief en aanleiding voor aanhouding ziet de rechtbank evenmin.
3.10.. De heffingsambtenaar heeft voorts verzuimd een verweerschrift in te dienen en de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Dat levert een schending van artikel 8:42 van de Awb op en op grond van 8:31 van de Awb kan de rechtbank daar gevolgen aan verbinden, wat ook zal gebeuren. De rechtbank ziet geen aanleiding om nog een termijn aan de heffingsambtenaar te verstrekken omdat het verzoek sinds juni 2024 met herhaling en nieuwe termijnen ruimschoot voldoende is geweest.
3.11.. De rechtbank stelt vast dat het voor de rechtbank niet mogelijk is om de zaak op een juiste wijze inhoudelijk te beoordelen nu het dossier in verregaande mate incompleet is. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar zich desgevraagd niet verweerd en is niet ter zitting verschenen. De gevolgtrekking die de rechtbank, gelet op al deze feiten en omstandigheden geraden voorkomt is om de WOZ-waarde te verminderen zoals belanghebbende heeft betoogd.
3.12.. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift een waarde van € 739.000 voorgesteld. De rechtbank zal de waarde van de woning gelet op het hiervoor overwogene verminderen tot € 739.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de bij beschikking vastgestelde waarde moet worden verminderd tot € 739.000. De aanslag OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd.
4.1.. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
4.2.. Ook krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666 per punt, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt, met een wegingsfactor 1. De totale vergoeding bedraagt € 3.200.
4.3.. Voor toepassing van een vermenigvuldigingsfactor 0,25 op grond van het bepaalde in artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ is geen aanleiding. De vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ is van toepassing indien aan belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat: I) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, II) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, III) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die niet de hiervoor opgesomde kenmerken hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Bpb berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.
4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gemachtigde aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge raad van 17 januari 2025. Gemachtigde heeft aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijfsmodel niet is gebaseerd op het principe van no cure no pay. Hiertoe heeft gemachtigde een overzicht van zijn omzetgegevens over de jaren 2025 en 2026 overgelegd. Daarnaast heeft gemachtigde specifiek voor deze zaak aangetoond dat belanghebbende het financiële risico loopt bij de beroepsprocedure. Uit de door gemachtigde overgelegde factuur en betaalgegevens volgt dat € 350 aan belanghebbende in rekening is gebracht voor de beroepsfase en dat dit ook is betaald.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 739.000;
vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Ingevolge artikel 8:31 van de Awb.
Zie Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.