Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5608

Gericht

Breda

Datum

22 June 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Bestuursrecht; Belastingrecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 21/3677 tot en met 21/3679
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen
de erven van [maat 1] , belanghebbenden

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2021.

1.1.. De inspecteur heeft aan [maat 1] ( [maat 1] ) de volgende aanslagen opgelegd en daarbij de volgende beschikkingen vastgesteld:

een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.737, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 8.385 en in rekening gebrachte heffingsrente van € 3.531;

een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 261.259, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 44.654 en in rekening gebrachte belastingrente van € 16.467;

een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 173.493, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 40.541 en in rekening gebrachte belastingrente van € 11.952;

1.2.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Aan [maat 1] is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.

1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.4.. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.. De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van delen van stukken gedaan. De rechtbank heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen.De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft de inspecteur opgedragen ongeschoonde versies te overleggen van delen van bijlagen 3, 4 en 99 bij het verweerschrift. Bij brief van 18 maart 2025 heeft de inspecteur deze beslissing gevolgd.

1.6.. De rechtbank heeft op 28 januari 2026 een brief ontvangen van mr. C.J. van der Have (voormalig gemachtigde) waarin hij aangeeft dat hij zich heeft teruggetrokken als gemachtigde.

1.7.. Omdat de rechtbank niet over (al) de adresgegevens van belanghebbenden beschikte, is op 11 februari 2026 de oproep voor de zitting geplaatst in de Staatscourant.

1.8.. Daarnaast is de oproep voor de zitting op 10 maart 2026 doorgezonden aan het enige bij de rechtbank bekende recente adres van (één van) belanghebbenden.

1.9.. Bij brief van 23 maart 2026 heeft mr. A.W. Hooijen zich als gemachtigde gesteld.

1.10.. Belanghebbenden hebben op 23 maart 2026 en op 30 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen en heeft daarbij gemotiveerd waarom de zitting niet wordt uitgesteld.

1.11.. De rechtbank heeft de beroepen op 10 april 2026 op zitting behandeld. Als gemachtigde heeft deelgenomen mr. G.P. Polders. Namens de inspecteur zijn verschenen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

1.12.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft partijen de gelegenheid gegeven om met elkaar in overleg te treden.

1.13.. De inspecteur heeft op 24 april 2026 aan de rechtbank laten weten dat geen overeenstemming is bereikt. Daarnaast geeft de inspecteur een nadere onderbouwing van een door hem ingenomen standpunt.

1.14.. Op 1 mei 2026 heeft de inspecteur nog een aanvulling gegeven op het stuk van 24 april 2026.

1.15.. Belanghebbenden hebben op 4 mei 2026 gereageerd op de stukken van de inspecteur van 24 april 2026 en van 1 mei 2026.

1.16.. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek ter zitting gesloten en een uitspraak aangekondigd binnen zes weken.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Daarbij komt eerst de vraag aan de orde of het verdedigingsbeginsel is geschonden. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Tenslotte gaat de rechtbank in op de vraag of de inspecteur de (hoogte van de) door hem doorgevoerde correcties in de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.

2.1.. Niet in geschil is dat de opgelegde vergrijpboetes dienen te worden vernietigd omdat [maat 1] is overleden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

2.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is het verdedigingsbeginsel niet geschonden. De rechtbank is verder van oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 niet tijdig is opgelegd. De navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 zijn terecht en niet tot te hoge bedragen aan [maat 1] opgelegd. De vergrijpboetes worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. [maat 1] is overleden op [datum] 2021.

3.1..
[maat 1] maakte in de jaren 2011 tot en met 2013 deel uit van de [maatschap] (de maatschap). De andere maat in de maatschap was [maat 2] ( [maat 2] ).

3.2.. De maatschap exploiteerde het [motortankschip] (hierna ook: [motortankschip] ). Het schip heeft een lengte van 99,84 meter en een breedte van 9,5 meter. Het schip beschikt over een totaal laadvermogen van 1.893 m3. Daarnaast heeft het schip twee zogenoemde sloptanks met elk een laadvermogen van 30 m3.

3.3.. De [motortankschip] vervoerde in de jaren 2011 tot en met 2013 bedrijfsmatig plantaardige oliën. [maat 1] was kapitein op het schip. [maat 2] hield de administratie van de maatschap bij.

3.4..
[motortankschip] werd gedurende de jaren 2011 tot en met 2013 bevracht door [bevrachter] B.V. te [plaats] .

3.5.. Na elk transport van olie ontstaat in een schip bedrijfsafval, ook wel slops genoemd. Deze slops worden verzameld in de sloptanks. In die slops zit een percentage vocht/vuil en een percentage olie.

3.6.. De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht/vuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht/vuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie.

3.7.. Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam Flip gekregen (hierna: het strafrechtelijk onderzoek).

3.8.. Tot de stukken van het strafrechtelijk onderzoek behoort het zogeheten Basis Proces-Verbaal Flip (Basis PV). Dit proces-verbaal bevat een beschrijving van het gehele strafrechtelijke onderzoek, waarin ook verklaringen zijn opgenomen van verdachten en andere betrokken personen.

3.9.. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is het vermoeden ontstaan dat door ongeveer vijftig schippers gedurende langere tijd, maar in ieder geval in de jaren 2011, 2012 en 2013 van verschillende Nederlandse motortankschepen partijen plantaardige olie vanuit de lading zijn verduisterd. Deze partijen plantaardige olie werden als slops aangeboden aan vethandel [vethandel] B.V. ( [vethandel] ) die deze slops met tankwagens naar [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) vervoerde.

3.10.. In het strafrechtelijk onderzoek is de volgende werkwijze beschreven. Wanneer de olie door [vethandel] bij het schip werd opgehaald werden door [vethandel] en de schipper zogeheten s-formulieren en begeleidingsbrieven ingevuld. Hierop werd onder meer de datum van de ontdoening ingevuld en in de meeste gevallen ook de geschatte totale hoeveelheid van de slop en het geschatte percentage vocht/vuil. De schipper kreeg een doorslag van deze formulieren. Bij aflevering van de slops door [vethandel] aan [bedrijf] werden door [bedrijf] gegevens op de begeleidingsbrieven en s-formulieren afgedrukt. Dit betrof een zogenoemde weegbrugstempel. Op de weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon en het tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de weegbrug. [vethandel] overhandigde een (doorslag) van deze begeleidingsbrieven en s-formulieren – in de meeste gevallen voorzien van het exacte vocht/vuil percentage – aan de schipper. Van de betalingen door [vethandel] aan de schippers werden door [vethandel] inkoopfacturen opgemaakt op naam van het betreffende schip.

3.11.. In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere [vethandel] en [maat 1] als verdachte aangemerkt. [maat 1] is tot aan zijn overlijden verdachte geweest in het strafrechtelijk onderzoek.

3.12.. De Belastingdienst heeft op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de informatie die volgt uit het strafrechtelijk onderzoek ontvangen. Daaropvolgend heeft de Belastingdienst de inbeslaggenomen administratie van [vethandel] ingezien. Ook heeft de Belastingdienst op 30 november 2017 een boekenonderzoek bij [vethandel] uitgevoerd en op 13 maart 2018 heeft er een bespreking tussen de Belastingdienst en [vethandel] plaatsgevonden.

3.13.. Van de bespreking op 13 maart 2018 is een gespreksverslag opgemaakt wat behoort tot de gedingstukken.

3.14.. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [vethandel] op het punt van de van de schippers ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de betreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden.

3.15.. In de administratie van [vethandel] zijn genummerde inkoopfacturen aangetroffen op naam van de maatschap ter zake van ingekochte slops door [vethandel] (de inkoopfacturen). Daarnaast zijn er ook s-formulieren en begeleidingsbrieven met betrekking tot [motortankschip] aangetroffen, voorzien van weegbrugstempels.

3.16.. Verder zijn er in de administratie van [vethandel] een maandkalender van 2011 en twee weekkalenders van het jaar 2013 aangetroffen. Op de kalenders staan namen genoteerd van in het strafrechtelijk onderzoek betrokken motortankschepen met daarachter een getal.

3.17.. In de administratie van [vethandel] bevindt zich ten slotte nog een aantal (klad)kasboeken. In de kasboeken werd door [vethandel] bijgehouden op welke data er bankbiljetten werden besteld bij de bank. In de kasboeken werden daarbij door [vethandel] de betreffende inkoopfactuurnummers genoteerd.

3.18.. In de jaarstukken van de maatschap zijn in de jaren 2011 tot en met 2013 geen opbrengsten van slops verantwoord.

3.19.. Op basis van de bevindingen tijdens het strafrechtelijk onderzoek en de in beslag genomen administratie van [vethandel] is door de Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, Team opsporing Milieu een Excel-spreadsheet opgesteld. In deze spreadsheet zijn de bevindingen samengevat over de goederenstromen en de geldstromen met betrekking tot de afgifte van de betreffende slops. In de Excel-spreadsheet is per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de datum en de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram, het contant door [vethandel] betaalde bedrag en het nummer van de betreffende begeleidingsbrief. Ook zijn er gegevens uit de administratie van [bedrijf] in opgenomen zoals onder andere het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram olie en het vocht/vuil percentage.

3.20..
[maat 1] heeft voor het jaar 2011 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen van € 78.661. Voor het jaar 2012 heeft [maat 1] een aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.514. De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012 zijn conform de aangiften opgelegd.

3.21.. Voor het jaar 2013 is [maat 1] uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. Hij heeft geen aangifte ingediend. De inspecteur heeft een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000.

3.22.. Per brief van 14 september 2017 heeft de inspecteur aan [maat 1] medegedeeld dat hij zich op basis van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek op het standpunt stelt dat [maat 1] in de jaren 2011 tot en met 2013 olie heeft geleverd aan [vethandel] waarvoor hij contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft [maat 1] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen hoe hij de veronderstelde ontvangen contante betalingen op inkoopfacturen van [vethandel] heeft verantwoord in zijn aangiften IB/PVV.

3.23.. Bij de brief van 14 september 2017 is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de betreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [vethandel] . De ontvangen contante betalingen bedragen volgens de inspecteur: voor het jaar 2011 € 36.650, voor het jaar 2012 € 233.105 en voor het jaar 2013 € 84.500.

3.24..
[maat 1] heeft op 21 september 2017 op deze brief gereageerd. Hij geeft daarbij aan dat hij geen administratie heeft van de maatschap. De administratie is altijd gevoerd door [maat 2] . Volgens [maat 1] moet de inspecteur bij [maat 2] zijn voor de gevraagde informatie.

3.25.. De inspecteur heeft [maat 2] ook gevraagd naar de inkomsten uit de slops. [maat 2] stelt zich op het standpunt dat de heer [maat 1] buiten het zicht van de maatschap ontvangsten heeft gehad uit de verkoop van de slops en dat hij dit niet aan de maatschap heeft medegedeeld.

3.26.. Mevrouw [woordvoerster] heeft namens [maat 2] verklaard dat zij gedurende de jaren 2002 tot 2015 de administratie heeft gevoerd van de maatschap en dat er gedurende deze periode geen inkomsten uit verkopen van slops zijn ontvangen op de bankrekening van de maatschap.

3.27.. Bij brief van 3 november 2017 heeft de inspecteur [maat 1] ervan op de hoogte gesteld dat hij navorderingsaanslagen IB/PVV en boetes voor de jaren 2011 tot en met 2013 gaat opleggen. Daarbij heeft de inspecteur de inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de navorderingsaanslagen IB/PVV overgelegd.

3.28.. Met dagtekening 15 december 2017 is de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 aan [maat 1] opgelegd.

3.29.. Met dagtekening 17 maart 2018 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 aan [maat 1] opgelegd.

3.30.. Het belastbaar inkomen uit werk en woning in de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2013 bestaat uit de vermeende contant ontvangen bedragen (zie 3.23). Voor de jaren 2012 en 2013 heeft de inspecteur de bedragen verminderd met de omzetbelasting die over deze bedragen is berekend.Voor het jaar 2013 is bovendien bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV nog rekening gehouden met een belastbaar resultaat uit de maatschap en een negatief inkomen uit eigen woning.

3.31.. Op 3 februari 2020 heeft een inzage in het dossier van de inspecteur plaatsgevonden door de gemachtigde. Op 12 februari 2020 zijn aanvullend nog stukken aan de gemachtigde opgestuurd.

3.32.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346 omdat deze niet op de juiste grondslag was berekend. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Motivering

Verdedigingsbeginsel

3.33.. Belanghebbenden hebben zich in de bezwaarfaseop het standpunt gesteld dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat geen inzage is gegeven in het (boete)dossier. In de beroepsfase hebben belanghebbenden verzocht om de standpunten uit bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen.

3.34.. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het verdedigingsbeginsel – voor zover van toepassing – geen sprake. Er bestaat geen rechtsregel die de inspecteur verplicht om bij vragenbrieven (3.22 en 3.23) volledige inzage te geven in de stukken die hem ter beschikking staan. In de bezwaarfase is inzage gegeven in de op de zaak betrekking hebbende stukken.Daarbij is aan gemachtigde gelegenheid geboden om aan te geven als er volgens hem stukken missen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Tijdigheid navorderingsaanslag IB/PVV 2011

3.35.. Op grond van artikel 16, derde lid van de AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte kenbaar uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van het uitstel verlengd.

3.36.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 tijdig is omdat aan [maat 1] kenbaar 13 maanden uitstel is verleend op grond van de uitstelregeling belastingconsulenten (de Becon-regeling).

3.37.. Belanghebbenden betwisten dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Volgens hen is aan [maat 1] geen kenbaar uitstel voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 verleend.

3.38..

Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat zich in het dossier geen stukken bevinden die een verleend Becon-uitstel onderbouwen. In de stukken die de inspecteur na afloop van de zitting heeft ingediend (1.13 en 1.14) voert de inspecteur aan dat Becon-uitstel destijds standaard 13 maanden bedroeg. Volgens de inspecteur heeft de gemachtigde van [maat 1] in de bezwaarfase bovendien erkend dat Becon-uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011.

De inspecteur heeft na afloop van de zitting informatie opgevraagd bij een collega met betrekking tot de vraag of aan [maat 1] Becon-uitstel is verleend. De betreffende collega heeft de inspecteur geantwoord dat volgens het door haar geraadpleegde systeem [maat 1] geen Becon-uitstel heeft gehad voor de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011. Ook geeft de collega aan dat gegevens over uitstel voor het indienen van de aangifte niet worden geschoond. De inspecteur heeft zijn standpunt over de tijdigheid van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 niet bijgesteld naar aanleiding van de verkregen informatie van zijn collega.

3.39.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Uit geen van de overgelegde bescheiden volgt dat daadwerkelijk Becon-uitstel voor de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 kenbaar is verleend. De navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 met dagtekening 15 december 2017 is buiten de navorderingstermijn van 5 jaar opgelegd. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 en daarbij opgelegde vergrijpboete en heffingsrentebeschikking daarom vernietigen. Gelet hierop behoeft de stelling van belanghebbenden over de plichten van de inspecteur in het licht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) geen verdere behandeling, aangezien daar op dit punt geen belang meer bij is.

Correcties in verband met contante betalingen aan [maat 1] door [vethandel]

3.40.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat [maat 1] contante betalingen van [vethandel] heeft ontvangen voor verkochte slops, die hij niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013. Ter onderbouwing verwijst de inspecteur onder meer naar de gegevens uit de administratie van [vethandel] , de verklaringen van de heer [vethandel] en de vastleggingen in het basis PV van het strafrechtelijk onderzoek.

3.41.. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat [maat 1] de contante betalingen van [vethandel] nooit heeft ontvangen. Belanghebbenden stellen dat de administratie van [vethandel] geen overtuigend bewijs bevat, omdat [vethandel] heeft geprobeerd om zijn eigen straat schoon te vegen. Belanghebbenden stellen dat ook moet worden gekeken naar de betrokkenheid van [maat 2] .

3.42.. De bewijslast dat [maat 1] in de jaren 2012 en 2013 meer inkomen heeft genoten dan hij in zijn aangiften IB/PVV voor die jaren heeft aangegeven rust op de inspecteur.

3.43..

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat [maat 1] de gestelde contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.

De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van [vethandel] overgelegd. Daaronder bevinden zich de inkoopfacturen. De inspecteur heeft alle inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de correcties in de navorderingsaanslagen overgelegd. De inspecteur heeft voor een aantal inkoopfacturen in het verweerschrift uitgewerkt hoe de inkoopfacturen zich verhouden tot de begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. De gegevens in de inkoopfacturen sluiten aan met de gegevens van de bijbehorende begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. Het gewicht dat op de inkoopfacturen staat vermeld, komt bijvoorbeeld overeen met de gegevens op de weegbon van [bedrijf] . Dat geldt ook voor het daarop vermelde vuil/vochtpercentage. De bescheiden uit de administratie van [vethandel] bevestigen dat de werkwijze zoals omschreven in overweging 3.10 ook in geval van [maat 1] heeft plaatsgevonden. In de Excel-spreadsheet (3.19) zijn voor alle inkoopfacturen de gegevens van de begeleidingsbrieven en de weegbrugstempels aan de inkoopfacturen gekoppeld.

Ook de door de inspecteur overgelegde week- en maandkalenders en (klad)kasboeken onderbouwen de door de inspecteur gestelde facturenstroom. De inspecteur heeft voorbeelden aangedragen waarbij inkoopfacturen ten aanzien van [maat 1] te herleiden zijn naar vermeldingen van contante bedragen op de kalenders.

Ten slotte acht de rechtbank van belang dat door de maatschap in de jaren 2012 en 2013 in het geheel geen ontvangsten voor de slops zijn verantwoord in de jaarrekeningen en dat degene die de administratie voerde ook heeft verklaard dat door de maatschap geen inkomsten van de verkoop van slops zijn verantwoord. Belanghebbenden hebben de ontvangst van de contante betalingen betwist, maar niet de leveringen van slops als zodanig. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken blijkt dat de slops een behoorlijke waarde vertegenwoordigen.

De rechtbank acht gelet op al het voorgaande aannemelijk dat [maat 1] de contante betalingen voor de leveringen van de slops heeft ontvangen. De door belanghebbenden ingenomen stellingen zijn niet onderbouwd door bewijs en brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. De na de zitting ingenomen stelling van belanghebbenden over de schending van artikel 21 van het Rv. kan ook niet leiden tot een vernietiging van de aanslagen zoals belanghebbenden bepleiten. Nog daargelaten of artikel 21 van het Rv. toepasbaar is in dit geval, ziet de niet-verstrekte informatie niet op de jaren 2012 en 2013. De stelling treft dus geen doel.

3.44.. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de omkering van de bewijslast moet worden toegepast. De rechtbank ziet voor de toepassing van de omkering van de bewijslast geen aanleiding. De inspecteur heeft met toepassing van de reguliere bewijslast zijn correcties al aannemelijk gemaakt. Verder gaat het hier niet om een geval waarin de omvang van de correctie onduidelijk is. De inspecteur heeft de omvang van de correctie aannemelijk gemaakt op basis van de hem ter beschikking staande inkoopfacturen.

3.45.. De rechtbank concludeert dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.

Vergrijpboeten

3.46.. Partijen zijn het erover eens dat de aan [maat 1] opgelegde vergrijpboeten dienen te worden vernietigd. De rechtbank beslist overeenkomstig. De rechtbank volstaat verder met de constatering dat de redelijke behandeltermijn voor de boetezaken is overschreden.

Belastingrente

3.47.. Belanghebbenden hebben geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Het bedrag van de belastingrente volgt het bedrag van de aanslagen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente en vernietigt die aanslag en beschikkingen.

4.1.. De beroepen tegen de vergrijpboetes voor de jaren 2012 en 2013 zijn ook gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes en vernietigt die vergrijpboetes.4.2.. De resterende beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 en bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand.

4.3.. Omdat de in 4 en 4.1 genoemde beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbenden vergoeden en krijgen belanghebbenden ook een vergoeding van hun proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.

4.4.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen belanghebbenden een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbenden konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en deelgenomen aan de zitting (1 punt). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868. De rechtbank kent geen kostenvergoeding toe voor de bezwaarfase, omdat bij uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding is toegekend die niet in geschil is.

4.5.. Belanghebbenden hebben zich in het schrijven van 4 mei 2026 op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat voor een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur heeft in het stuk van 1 mei 2026 namelijk een andere voorstelling van de feiten gegeven dan in het stuk van 24 april 2026. Dit heeft gemachtigde onnodig extra werk opgeleverd.

4.6.. De rechtbank ziet voor een hogere proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de nieuwe informatie die de inspecteur in het stuk van 1 mei 2026 heeft gedeeld voor de gemachtigde tot veel extra werk heeft geleid.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011 en de daarbij opgelegde vergrijpboete en beschikking heffingsrente gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente;

  • vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente; - verklaart de beroepen tegen de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;

  • vernietigt de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;

  • verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbenden moet vergoeden;

  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbenden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. drs. P.E.C. Vossenberg en mr. M.A.M. van Meer, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak getekend door de jongste rechter.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1075.

Staatscourant 11 februari 2026, nr. 6572.

Voor het jaar 2011 is de omzetbelasting niet in mindering gebracht op de vermeende contant ontvangen bedragen, omdat de inspecteur de omzetbelasting voor dat jaar niet meer kon naheffen.

Aanvullend bezwaarschrift van 27 februari 2018.

Conform artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.

Weitere Entscheidungen