Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:6066

Gericht

Tilburg

Datum

15 June 2026

Sprache

nl

Zusammenfassung

Rechtsfrage

Civiel recht; Personen- en familierecht

Entscheidung / Tenor

Uitspraak

Tilburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Toezicht

Locatie Tilburg

toezichtnummer

:

NL:TZ:0000045431:B001

CBM-nummer

:

BM11365

beschikkingsnummer

:

002

datum

:

15 juni 2026Beschikking van de kantonrechter

op verzoek van:

[bewindvoerder],

handelend onder de naam [bewindvoerderskantoor], [adres], Kamer van Koophandel-nummer [kvk-nummer],

hierna te noemen: bewindvoerder,

met betrekking tot:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, wonende op een bij de kantonrechter bekend geheim adres,

hierna te noemen: betrokkene.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 13 oktober 2025,

  • de nadere informatie, ontvangen op 29 oktober 2025.

De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.

Verzoek en beoordeling

De bewindvoerder vraagt handhaving van de beloning voor haarwerkzaamheden volgens artikel 3 lid 2 sub b voor de periode 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026.

Het gaat in deze zaak om een betrokkene die met ingang van 1 november 2025 schuldenvrij is omdat er eenmalig een uitdeling aan de schuldeisers is gedaan op basis van het vermogen van betrokkene. Er loopt geen saneringstraject, maar de schuldeisers nemen feitelijk genoegen met het gegeven dat hun schuld niet kan worden afbetaald en gaan akkoord met een eenmalige uitdeling. Betrokkene is daarmee na acceptatie van de eenmalige uitdeling per direct schuldenvrij geworden.

Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat deze halvering van de looptijd een belangrijke inkomstenderving betekent voor bewindvoerders van personen met problematische schulden. In de praktijk concentreren de werkzaamheden bij bewinden met problematische schulden zich met name in de eerste maanden na aanvang van het bewind. In die eerste periode stond de hoogte van de beloning niet in verhouding tot de werkzaamheden, maar doordat het bewind in de regel daarna nog (tenminste) drie jaar duurde, was de beloning over de gehele periode van drie jaar wel in balans. Doordat die periode door de wetswijziging met de helft is verkort, is deze balans onder druk komen te staan. Dit effect wordt versterkt door de werkwijze bij een nul-aanbod en een eenmalige uitdeling. Na acceptatie van de eenmalige uitdeling is er geen sprake meer van problematische schulden en evenmin van een lopend schuldentraject met een uitzicht op een schuldenvrije situatie na afloop van dit traject. Strikt genomen betekent dit dat na acceptatie van de eenmalige uitdeling er geen recht meer bestaat op de hogere beloning voor werkzaamheden in verband met de problematische schulden.

De kantonrechter stelt vast dat de bewindvoerder in deze situatie van een eenmalige uitdeling in de aanloop tot het moment dat betrokkene schuldenvrij is dezelfde werkzaamheden verricht als eerder voor invoering van de verkorting van de termijn van drie naar anderhalf jaar. Dat komt er doorgaans op neer dat de eerste maanden inkomsten, uitgaven en schulden worden geïnventariseerd en de casus wordt voorgelegd aan de afdeling binnen de gemeente belast met schuldhulpverlening. Hiervan uitgaande komt dit er op neer dat de bewindvoerder in de regel bij een nul-aanbod niet 36, noch 18 maar slechts (circa) zes maanden de hogere beloning in rekening kan brengen. Met de opkomst van de verkorting van de schuldenregeling en het nul-aanbod is geen rekening gehouden in de Regeling beloning en in de Aanbevelingen meerderjarigenbewind.

Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat het uitgangspunt dat de hogere beloning bij problematische schulden eindigt op het moment dat betrokkene schuldenvrij is, omdat de eenmalige uitdeling is geaccepteerd onvoldoende recht doet aan de systematiek van de Regeling beloning en de wijze waarop deze in de afgelopen jaren door kantonrechters is toegepast.

De kantonrechter is van oordeel dat, nu betrokkene schuldenvrij is, het verzoek van de bewindvoerder afwezen dient te worden en zal -ambtshalve- de beloning vanaf 1 november 2025 vaststellen volgens artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Aangezien in het meeste werk zich in het voortraject van een schuldregeling bevindt zal de kantonrechter aan de bewindvoerder -ambtshalve- een maximale en eenmalige extra beloning van 7,5 uur (op basis van de extra beloning van 5 uur per jaar) toekennen.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek van de bewindvoerder af;

stelt -ambtshalve- de maandelijkse beloning van de bewindvoerder met ingang van 1 november 2025 vast volgens artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

kent -ambtshalve- aan de bewindvoerder een eenmalige extra beloning toe van 7,5 uur á € 82,50 (exclusief BTW) per uur, derhalve totaal € 618,75 (exclusief BTW).

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.

Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch: a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Weitere Entscheidungen